LEES VIER HOOFDSTUKKEN
UIT

HET NET VAN DE VUURGOD
uitgeverij Ploegsma
ISBN 90 216 1897 4
verschenen in 2004
prijs  Euro 15,95
                   







1.                                                                

Noorwegen, 14 april 772:

"Even rust, mijn liefje." Loki tilde de loodzware manden met één hand van zijn muilezel en liet vervolgens zijn eigen ransel in het mos ploffen. Hij rekte zich uit. Nekwervels plopten alarmerend.

Ja, beslist de hoogste tijd om een hapje te eten, een moment weg te doezelen in de ochtendzon. 

Hij had zes dagen en nachten onafgebroken doorgemarcheerd om de poort van de Onderwereld te bereiken. Ook al is het eelt onder hun zolen harder dan paardenhoeven, zelfs goden kunnen blaren onder hun voeten krijgen.                    

Loki zette zich op de dunne richel aan de rand van de afgrond en liet zijn benen in de leegte zwaaien. De diepte gaf hem een aangename kriebel in zijn onderbuik. Eén verkeerde beweging en je smakte omlaag. Brak elk bot in je lijf.

Loki boog zich zo ver mogelijk naar voren. Pal onder zijn voeten, een halve kilometer dieper, lag een vissersdorpje. Veel was het niet. Een zestal huizen aan de monding van het fjord, twee sloepen die ver op de kiezels getrokken waren.

Grappig. De vorige keer was het strand nog verlaten geweest. Hij herinnerde zich een handvol verontwaardigd krijsende meeuwen, een dode zeehond die vredig aan de vloedlijn lag weg te rotten. Meer niet.

Mensen. Overal doken die lui de afgelopen eeuwen op. Mensen waren grappig.

Hij wreef zich bedachtzaam over zijn zorgvuldig geschoren kin. Echte mannen lieten hun baarden en snorren staan, wist Loki, hoe meer haar hoe beter. Alleen weke priesters uit het zuiden schoren zich. Slappelingen, die in de ogen van elke rechtgeaarde viking om een stevig pak slaag vroegen.

Loki was dol op leugen en bedrog. Bijna even dol als op een stevige vechtpartij. Als het even meezat leidde dat al snel tot een mooie bloedvete.

De beste manier om stennis te krijgen was je een beetje verwijfd uitdossen.

Hij viste een rib met gedroogd vlees uit zijn ransel en kerfde een royale krul af. Het gortdroge vlees geurde naar de rook van brandende boerderijen en doodsangst.

Andere goden zouden gekokhalsd hebben bij de gedachte aan zulk voedsel. Aanstellers. 

Neem de oppergod Odin nu. Hoeveel lui werden er niet elke midzomernacht aan hem geofferd? Gewurgd met een boogpees en in het moeras gekieperd? Pure verspilling.

Loki streelde zijn magische riem van wolvenhuid. Met de Gordel van Surt kon hij zich moeiteloos in een wolf veranderen en in die gestalte had hij niets tegen mensenvlees. Waarom dan wel als hij op twee benen liep?

 

Geen herberg, constateerde Loki zodra hij het dorp binnenslenterde. Dat zou ook te veel gevraagd zijn. In dit soort gehuchten ontving de hoofdman alle reizigers. Zijn persoonlijke gasten. Al verwachten hij natuurlijk wel iets voor terug voor die gastvrijheid.

Uit een van plaggendaken rees een sliert rook op. Een hamer roffelde, viel na een hartgrondige vloek stil. De smid. Waarschijnlijk de enige man in het dorp terwijl de anderen op zee visten.

Loki zette zijn handen als een trechter aan zijn mond. "Odin zegene jullie! Ik ben een marskramer, geen bloeddorstige viking! Jullie hoeven niet onder jullie netten weg te kruipen!"

Een belediging was de beste manier manier om het ijs te breken, vooral als je er breed bij grijnsde. Dan begrepen dit soort rauwe bonken meteen dat je een van hen was. Net zo'n hersenloos knorzwijn.

Het leren gordijn voor de smidse werd ratelend opzij getrokken. 

"Wie noemt Karl Karlson een lafaard?"                Karl Karlson. Bewaar me, hoeveel generaties zouden alle zonen al Karl geheten hebben? Het was niet eens echte naam. Karl betekende zoveel als "vrije man", geen slaaf.

De smid was twee koppen groter dan Loki, zijn schouders zo breed dat hij maar net in de deuropening paste. 

Door Karls aderen stroomt zo te zien meer dan één druppel trollenbloed, dacht Loki, of ik eet mijn eigen teennagels op.

"Was jij dat, garnaal?" rommelde de smid. "Met je vlammenrode haar en je sluwe vossenkop?"

"Geintje," zei Loki.

Vlammenrode haar en sluwe vossenkop. Niet slecht. De smid moest een helderder blik hebben dan hij zelf besefte. Voor het begin van zijn tocht had Loki zijn haar zorgvuldig zwart geverfd met kraaienbessensap.

De smid vouwde zijn massieve armen over elkaar. "Jij bent een marskramer beweerde je?"

Waarom de zuivere waarheid niet? dacht Loki. De waarheid is iets dat stervelingen zelden willen geloven of serieus nemen. 

"Och, dat is maar een vermomming. In werkelijkheid ben ik Loki, de god van de leugens.  Ja, die van broedermoord en bloederig bedrog. Ik reisde naar jullie dorp omdat de poort naar Niflheim hier vlakbij ligt. Ik verlang het Land van de Doden te bezoeken."

De smid deinsde terug. "Noem die naam nooit! De dood komt snel genoeg zonder op Haar poort te kloppen!"

Loki tuitte zijn lippen. "Mijn dochter Helle is daar koningin. Vanuit haar land kun je alle tijden overzien. Ik wilde Helle vragen mijn toekomst te voorspellen."

De smid staarde hem aan. Aarzelend brak een glimlach door, die al breder en breder werd tot al zijn hoekige tanden ontbloot werden. "Een grapje, ja? Je maakt een geintje?" Hij stootte een giechel uit die opvallend schril klonk voor zo'n boom van een kerel. "Ah, je bent niet alleen een koopman maar ook een prima verhalenverteller!" Hij gaf Loki een joviale stomp tegen de schouder die bij een sterfelijk man beslist tot bot en beenbreuk geleid had. "Wees mijn gast, Roodhaar Loki! Vertel ons over al je avonturen. Vertel ons over vissen zo groot als eilanden!  Over zilveren zeemeeuwen die je naar de prinses van je dromen brengen!"

"Dat moet geen probleem zijn. Zorg dat mijn lippen vochtig blijven en ik giet gouden woorden in jullie oren."

De smid nam hem van top tot teen op, fronste wenkbrauwen die elkaar boven zijn neusbrug zo goed als raakten.

"Ik ken je ergens van. Kwam je hier niet eerder langs, een jaar of acht geleden?"

"Huhm," zei Loki. Meer was niet nodig.

Mooi zo. Hij begint me al te herkennen.

Dit was een van Loki's grootste talenten. Het vermogen om bekend voor te komen. Wie hem zag vertrouwde hem ogenblikkelijk. Zijn slachtoffers vulden de details gewoonlijk zelf gretig in.

"Och ja natuurlijk." De peinzende blik van de smid klaarde op. "Je bent de achterneef van Halfrid Berenwurger!"

"Als jij het zegt."

De smid stompte hem opnieuw tegen zijn arm. "Elk familielid van die goeie oude Halfrid is hier welkom. Meer dan welkom!"


2.

 

 

De zon zakte omlaag, tikte de hopsende horizon aan.

Loki hurkte naast de smid op een omgevallen zuil basalt die tot halverwege de branding reikte. Heel de zee leek met deinende goudstukken belegd.

"Onze vissersboten," wees de smid met de tang waarmee hij een haaienhaak aan het bijbuigen was.

Nu merkte Loki de povere vloot ook op: vijf zeilen, bloedrood in het lage zonlicht.

 

Onder een ritmisch "Hey hah! hey hah!" trokken de vissers even later de kielen van hun boten over het kiezelstrand. Het ratelen van de stenen klonk Loki aangenaam in de oren: knappende ribben, het onmachtig knarsen van trollenkiezen.

"Hoe noemen jullie de zee hier?" vroeg Loki aan de smid.

"De Weduwmaker," somde de smid op, "de Mannenverslinder, het Maagdenverdriet. Heeft de zee andere namen dan in jouw land?"

"Honderden. Ymirs pis bijvoorbeeld."

"Dat is een goede! Volgens de saga's was de zee het bloed van de eerste god. Pis is beter."

Loki zocht de einder af. Schemering was het magische moment van de dag, het ogenblik dat tover het sterkst werd en de wereld van de mensen bijna wegdrukte.

De hemel kleurde groen als een keverschild, trok diep paars weg. Yggdrasill stolde geruisloos uit de schemering en vulde de hemel.

"Daar." Loki stootte de smid aan. "Zie je haar?" Schoonheid is iets dat je niet kunt oppotten. Schoonheid delen maakt haar enkel groter. "Kijk omhoog, man!"

Loki zag de Wereldboom niet langer dan een hartenklop, maar haar schoonheid deed hem duizelen. Zo hoog, zo eindeloos hoog, tienduizend mijlen en wijd als de wereld.

Yggdrasill was de es die alles dat bestond bij elkaar hield: Hemel, Aarde en Onderwereld. Haar takken haakten zich in de sterren vast en haar wortels boorden zich in Niflheim, het Land der Doden.

"Zie je wát?" vroeg de smid.

De Wereldboom vervaagde en Loki wendde zijn blik af. Jammer. De smid was toch te menselijk geweest. Hij had niet genoeg trollenbloed om werkelijk te zíén.

"Laat maar. Ik hoop dat jullie zee een beetje gul was vandaag. Mijn maag rommelt als een onweer."

"Wees niet bang. Drank is er in ieder geval genoeg." 

Loki werkte drie geblakerde vissen naar binnen, brak hompen zwart zuurdesembrood af. Hij zong raadselliederen, de "kenningen" waar de mannen van het noorden zo dol op zijn. Hij roddelde over koningen die al duizend jaar dood waren of nooit bestaan hadden.

"Nu is het tijd om serieus te drinken!" brulde de smid zodra hij de laatste kabeljauwkop in het vuur gemikt had. Loki's gastheer goot een holle koeienhoorn tot de rand vol mede en duwde hem klotsend in Loki's handen. "In één teug mijn vriend!"

"Dat mag ik wel," zei Loki. "Een gastheer die van schenken weet."

Mede werd van gegiste honing gebrouwen en was behoorlijk koppig.

Hij woog de gevulde hoorn op zijn hand. Vier liter mede zeker, schatte hij, misschien wel vijf. Karl wil me dronken voeren.  Als ik dan ruzie zoek, mogen ze me naar eer en geweten de hersens inslaan en mijn handelswaar inpikken.

"Drinken jullie mede in jullie dorpen ook uit hoorns?" vroeg de smid.

"Zeker. Het grappige is dat een koeienhoorn geen voet heeft. Niets om hem neer te zetten. Je moet dus blijven doordrinken."

Hij had de enige hoorn in het gezelschap zag Loki. De anderen dronken uit aardewerken kroezen.

Karl Karlson moest eens weten.

Loki herinnerde zich het feest in het land van de ijsreuzen. Hij en de andere goden moesten Thors hamer terugstelen en het was erg belangrijk dat ze bij de reuzen niet als dauwdruppellikkers of muizenkeutelknabbelaars overkwamen.

Daar waren de drinkhoorns van gigantenkoeien afkomstig geweest: elke hoorn wijd genoeg om een schip naar binnen te roeien. De vissen die op de ijzeren roosters sisten waren orka's. Of, voor de echte trek, potvissen.

Loki legde de hoorn op de bank naast zich, leeg.

"U weet van drinken, heer." De slavin klom prompt op zijn schoot en draaide een van Loki's lokken om haar vinger. "Waarom noemt mijn meester je steeds Roodhaar, vreemdeling? Uw haar is zo zwart als de nacht."

"Een geintje. Net als de naam Loki. Ik werkelijkheid heet ik Fenrisvattir."

"Maar dat betekent Vader van de wolf. Dat is gewoon een van Loki's andere namen!"

"Slim meisje. Jij kent de oude verhalen blijkbaar goed."

"Loptr, Thok, Farbautison," fluisterde ze in zijn oor. Al Loki's geheime namen die alleen de goden of de knapste zangers kenden. "Ik weet wie je werkelijk ben en ik zal je niet verraden." Ze gebaarde naar de joelende dorpelingen. "Ik haat ze, Loki. Ik was de dochter van een jarl, van de hoge graaf van Gittaland zelf. Voor de rovers mij ontvoerden. Ik ken alle vierentwintig runentekens. Mijn meester kan zijn eigen naam niet eens schrijven!"

"Haat is een mooie emotie. Minder breekbaar dan liefde.  Ah, haat bouwt huizen als kastelen!"

"Ik heet Sigyn. Ga je ze allemaal vermoorden?"

"Naar het me uitkomt. Ik ben niet van plan persoonlijk een vinger uit te steken. Eigenlijk heb ik maar één dode nodig. Als gids naar Niflheim."

"Neem je me mee? Later?"

"Vertel me eerst wie hier van gokken houden. En wie waarschijnlijk vals gaat spelen als het om erg veel goud gaat. Hij hoeft niet echt vals te spelen. Zolang de anderen hem maar verdenken."

 

"Ze zitten te dobbelen," deelde Sigyn hem een hoorn mede later mede. "Achterin, bij het licht van het haardvuur." Ze gaf een ruk met haar hoofd die haar lange blonde vlecht liet zwiepen. "Jud, die kerel zonder linkeroor, heeft een vossenziel. Denkt hij. Hij is eerder onbetrouwbaar dan sluw."

"Bedankt, Sigyn." Loki slenterde naar het vuur.

Ze dobbelden met vergeelde knokkelbeentjes. Vikings gebruikten bij voorkeur de knekels van een verslagen vijand als stenen. Al waren de botjes van een dode slaaf ook bruikbaar bij gebrek aan beter.

"Wat voeren jullie daar uit? Een of ander spel?"

Jud keek op. "We noemen het Graai de Meeuwen, Roodhaar. Even eenvoudig als het pellen van een ui. Ik kan het je zo leren."

"Waarom ook niet?" Loki veegde de bruine graten met een voet opzij en liet zich op de lemen vloer zakken. Visschubben glommen als rode sterretjes op tussen de spaarzame strootjes. Karl Karlson had al maanden geen vers riet gelegd.

"Als je om geld speelt leer je het snelst," verklaarde Jud. "Heb je koperstukken? Of desnoods   loodjes?"

"Nee, sorry. Geen koper. Zijn zilverstukken ook goed?"

Een van de mannen gniffelde. "Ook goed! We..."

Jud dreef hem een elleboog in zijn nieren en hij viel stil met een ontzette gak.

"Voor deze keer dan, Roodhaar. Al kunnen we hier weinig met zilver beginnen. We rekenen vier koperstukken voor elk zilverstuk, goed?"

"Jullie zullen de regels wel kennen."

Vier voor een was ongeveer een vijfde van de gebruikelijke waarde.

 

Twee uur later stond er voor elk van de mannen een ferme stapel zilverstukken. Elk stapeltje was ongetwijfeld meer kapitaal dan in de hele rest van het dorp te vinden was.

Hebzucht laat een man de ogen uit de kassen rollen, overwoog Loki. Waarom vond niemand het vreemd dat een eenvoudige marskramer met zilverstukken kon strooien? Met zoveel geld had hij nooit een marskramer hoeven blijven.

"Toch een moeilijker spel dan het leek," zuchtte Loki terwijl hij twee nieuwe zilverstukken in de gokkerscirkel legde.

Sigyn sloeg haar armen om zijn hals en wreef haar wang tegen zijn nek. "Waarom verlies je?" fluisterde ze. "Ah, het is natuurlijk elfenzilver! Je munten veranderen in kiezels en dorre bladeren zodra de haan kraait?"

"Het zilver is echt. Ze zijn nu rijker dan ze ooit gedroomd hadden, Sigyn. Nu hebben ze werkelijk iets te verliezen." Met zijn lange linkernagel kraste hij een spiraal van runentekens in de vloer. "Een kleine bezwering om onze vriend Jud te helpen."

Sigyn las over zijn schouder mee. "Juds volledige naam, de rune Feoh voor rijkdom, Ken voor vuur. Wat vast een van je geheime namen is. Is magie echt zo eenvoudig?"

Loki schudde zijn hoofd. "Alleen als een god de runen trekt."

 

In minder dan een half uur stak Juds stapel zilver zeker een handbreedte boven die van de anderen uit. Elke tweede worp leek hem een zes op te leveren.

Dit dorpse dobbelspel was zeldzaam eenvoudig: wie gooit het hoogste getal? Meer dan een gestage stroom zessen was er niet nodig om te winnen.

"Mijn beurt al weer?" Juds tanden blikkerden alsof ze zelf in zilver veranderd waren. "Gaan we." Hij rolde de knokkelbeentjes.

"Ah, een zes en een vijf!"

Loki pakte een van de dobbelstenen op.

"Hé, Roodhaar," protesteerde Jud. "Jij bent nog niet aan de beurt!"

"Grappig," zei Loki en weerde Juds graaiende hand af. Hij draaide het knokkelbeentje tussen duim en wijsvinger. "Blijkbaar heb ik dit spel toch niet helemaal goed begrepen. Of hoort het dat er aan alle kanten zes stippen staan?"

Een doodse stilte volgde op zijn woorden.

"Jij vale marter!" Een van de dobbelaars sprong op en greep Jud bij de keel. "Mijn kostelijke zilverstukken! Geef ze terug, valsspeler!"

Jud brak zijn greep met een stomp onder zijn borstbeen. "Klets geen onzin, Helgi! Ik ruk je tong uit als je zulke leugens uitslaat!"

"Naar buiten!" De smid sleurde de twee mannen aan hun ellebogen door de zaal en rukte het gordijn open. "Geen bloed op mijn stro!" Eén zwaai en ze tuimelden de nacht in.

Karl Karlson zette zijn handen op zijn heupen. "Kruip terug als jullie niet langer dronken zijn."


3.

 

 

Loki liet zich een derde hoorn mede inschenken.

"Daar heb je Helgi," zei Sigyn. "Zo te zien heeft hij niet gewonnen."

Loki knikte. "Een bloedende lip, twee voortanden minder. Helgi heeft inderdaad niet gewonnen."

Hij knipte met zijn vingers naar het vuur. Twee vlammen maakte zich los en fladderden rond als vurige vlinders. Twee keer schreven ze de runen van Loki's naam voor ze in de gloeiende houtblokken terugzakten.

"Nu schuifelt hij naar zijn broer Thorstein," vervolgde Sigyn die niets van zijn vlammenspel gezien had. "Wacht, hij fluistert iets in zijn oor. Thorstein is beste vechter van het dorp. Een echte berserker. Zo eentje die eigenhandig wolven wurgt en schuimbekkend in de rand van zijn schild bijt. Niet half zo sterk als Karl, maar veel gemener."

"Vertel verder. Ik ben een en al oor."

"Nu sluipen ze allebei naar buiten. Nadat ze goed rond gegluurd hebben of niemand op hen lette. Mij merkten ze niet op. Een slavin is onzichtbaar."

 

Het duurde langer dan Loki had verwacht: bijna een vol uur.

De smid kwam naast hem zitten.

"Weet je soms iets van heelkunde af, Roodhaar? Meer in het bijzonder van gapende wonden waaruit het levensbloed gretig wegvloeit?"

"Ik kan ze dichtnaaien. In mijn ransel zit een mooi stel bronzen naalden en een rol vlasdraad. Of het helpt?" Hij stond op. "Wie is de gelukkige?"

"Jud Gellersson. De man waarmee je zat dobbelen." Zijn gezicht betrok. "Drie steken in de rug. De wonden van een lafaard."

Loki begreep Karls afkeer. Een moord was niets om je bijzonder druk over te maken. Verkeerd sterven, als een lafaard, was echter zeldzaam stom.

"Waar ligt hij?"

"In zijn eigen hut. Zijn vrouw vond hem reutelend in het voorportaal. Met een handvol zilverstukken in zijn mond gepropt."

 

De man lag te kreunen op een matras van zeehondenbont die tot op het grauwe leer afgesleten was.

"Jij..." Pijn en doodsangst hadden Jud de stekende blik van een sjamaan gegeven. Vol wijsheid waaraan hij nu weinig meer had. "Ik weet wie je bent. Wát je bent. Oom Vos, noem ik je, Vader van de Wolf. Ik, ik speelde niet eens vals!"

"Natuurlijk niet. Het was een van mijn eigen dobbelstenen." Loki grinnikte. "Maar je speelde tegen mij. Dat was een stuk riskanter dan valsspelen."

"Jij... Ik ben niet bang om te sterven!" Jud kwam half overeind. Hij hoestte: bloeddruppels sproeiden van zijn lippen. "Ik ontmoet je in Walhalla, leugenaar. Met een gloednieuw zwaard, ja. Snij je oren af. Land van de onsterfelijke helden. Waar wij helden voor eeuwig strijden en zuipen. Alle vrouwen maagden zijn!"

"Het spijt me. Walhalla is niet de juiste plaats voor je. Je stierf niet in de strijd, Jud, niet als held. In je bed ga je sterven, over een hartenklop op tien. De strodood, met de wonden van een lafaard." Loki schudde droevig zijn hoofd.  "Niflheim wordt het, waar de zwakken en lafaards eindigen."

"Waarom? Waarom ik?"

Maar weinig stervenden krijgen antwoord op die vraag, dacht Loki. Jud boft.

"Ik had verhalen over dit dorp gehoord. Niflheim ligt hier zij aan zij met de mensenwereld. Zo dichtbij dat een levende mens naar binnen kan glippen zodra Niflheim haar poort opent om een ziel op te nemen. Ik had een gids nodig en jij leek me geschikt."

Hij zag Juds laatste adem als een dwaallicht uit zijn neusgaten glippen. Juds schim stond op, hoewel zijn lichaam met weggedraaide ogen op het bed bleef liggen. 

"Mooi zo," fluisterde Loki en hij greep de hand van de schim stevig vast.

De vingers voelden als aangespoelde kwallen, glibberig en stroef tegelijk en geheel en al levenloos. "Waarheen nu, Jud? Wijs me de weg naar het land van mijn dochter."

Hij zag dat smid en Juds vrouw tot standbeelden verstard waren. Alleen hij, Loki, woonde in die laatste, eindeloos uitgerekte seconde van Juds dood.

De schim tikte de muur van twijgen en aangesmeerde klei aan: een stenen poort zwaaide open.

De poort leek aanzienlijk hoger dan de Juds hut, meters hoger, maar paste er toch moeiteloos in.


4.

 

 

Met een geluid als kreukelend perkament ontrolde Niflheim zich voor Loki. het was een ellendig oord: slierten van ijzige mist, duistere poelen waarover een kantwerk van ijsnaaldjes lag. De hemel hing laag en grauw, een hemel als een putdeksel van puimsteen.

Ondanks de zengende kilte deed de stank van rottend vlees en vermolmde botten hem naar adem happen.

Nergens een spoor van kleur: alles was grijs en wit en zwart.

"Dit is Niflheim, Loki?" sprak een stem vlak achter zijn rug.

Loki draaide zich met een ruk om en keek in recht in Sigyns gezicht. Haar grijze ogen fonkelden, op haar bleke wangen gloeiden blosjes van opwinding.

"Idiote! Waarom ben je me gevolgd? Dit is het land van de doden, Sigyn! Voor levenden is er geen weg terug."

"Jij beloofde me met je mee te nemen."

"Ja, later. Niet nu, dwaze vrouw!"

"Goden hebben vaak een verdraaid slecht geheugen als het op beloftes aankomt."

"Allemachtig, vind ik eindelijk een vrouw met een beetje verstand en een aangename wraaklust, pleegt ze prompt zelfmoord!"

"Ik ben nog niet dood, Vader van de Wolven."

Loki slaakte een zucht die uit zijn teennagels leek te komen. "Ik zal proberen dat zo te houden."

 

De rivier die door Niflheim stroomde, was breed als een oceaan en stonk naar zout en verdriet. Volgens de legenden werd ze gevoed door de tranen van weduwen en misleide maagden: ze zou dus nooit droogvallen.

Juds schim ging hen voor naar een vlot van beenderen en hees een zeil van doorzichtige mensenhuid.

"Koud." Sigyn drukte zich tegen Loki's borst aan. "Zo koud."

Loki woelde door Sigyns haar dat glinsterde van de rijp. "Daar kan gelukkig iets aan gedaan worden. In het gezelschap van de vuurgod hoeft niemand kou te lijden."

Hij klapte in zijn handen. Aan weerszijden van het vlot vlamde een vuurbol op. Een vlaag van warmte streek over het vlot.

"Beter zo." Sigyn slaakte een zucht van welbehagen. "Waar gaan we heen, Loki?"

"Er schijnt een waakhond te zijn. Garm. Als hij blaft, galmt het door tot in de Vier Hoeken van de wereld en valt de donder angstig stil. Zijn tanden bijten dwars door Damascaans staal. Uit zijn muil druipt sissend gif."

"Is het soms weer een van jouw eigen zonen? Net als de wolf Fenris of de Midgardslang?"

"Och, ik wil niet opscheppen... Maar dat is niet bepaald een voordeel. Ik heb niet zo'n beste relatie met mijn kinderen."

"Dat klopt, vader."

De jonge vrouw stond zo licht op het water dat er niet eens kringen over het slijmerig oppervlak rimpelden.

"Is dat Helle?" Sigyn klonk stomverbaasd. "Maar ze is beeldschoon! In alle saga's is ze een levende dode, het wandelende lijk van een stokoude heks!"

"Ik hoef niets meer te bewijzen, vrouw," zei Helle en ze liet haar zilveren haren zwieren. "Mijn Niflheim is het land van de wanhoop, de plaats van gemiste kansen. Waar nooit, nooit meer iets zal gebeuren." Ze spuwde in de trage rivier en aaide over de kop van het schoothondje in haar armen. "Mijn waardeloze doden verdienen geen troon van beenderen of grommende monsters."

"Dag, papa," zei Loki in een goede imitatie van haar stem. "Wat leuk dat u eens een keer op bezoek komt."

Helle schoot in de lach. "Ik zal toehappen als een onnozele zalm. Wat kom je hier uitvoeren, vader van de leugens?" Ze stak haar kin naar voren. "En waag het niet om tegen míj te liegen!" Ze veegde een druppel zweet van haar voorhoofd. "Moet het hier trouwens zo onzinnig heet zijn?"

Loki doofde de vuurbollen met een vingerknip en de kilte van Niflheim vloeide opnieuw uit over het vlot.

"Ik nam een maand geleden mijn runensteen op, Helle mijn dochter. Mijn steen heeft vierentwintig zijden en op elke kant is een magische rune in gekerfd.

'Vertel mij wat mij de toekomst zal brengen!' beval ik en wierp mijn steen. Hij rolde door de modder en liet een spoor van runen in de vochtige klei achter.  Deze woorden las ik:

'De goden zullen verwaaien     als rook in de wind

Heersen zal de vrije man       met zwaard en kruis.'

Toen ik de steen opnieuw wierp, bleef hij steeds dezelfde runen afdrukken: 'Geen toekomst'."

"En je hoopte dat ik een scherpere blik zou hebben, vader?"

"In het land der doden is alles voorbij. Geen verleden of toekomst meer. Ze zeggen dat de machtige Helle alle tijden van hieruit kan overzien. Als van een hoge toren."

"Daar hebben ze gelijk in." Helles ogen draaiden omhoog tot enkel het oogwit overbleef.

"Er zal een vrije man opstaan," zong ze met een afschuwelijke stem, schril als het krijsen van een kikker in de bek van een lynx. "Nee, geen vrije man, geen 'karl'. Karel is zijn naam. Karel de Grote, zoon van Pepijn. Met zwaard en kruis zal hij heel de wereld veroveren. Hij zal hoge tempels oprichten voor zijn Witte Christus. Alle oude goden vernietigen. Ai, ze zullen verwaaien als rook in de wind!"

"Verwaaien als rook!" Loki klikte met zijn tong van ergernis. "Odins baard! Dat is toch geen fatsoenlijke manier van sterven? Ik wil ten onder gaan met mijn zwaard in de buik van mijn vijand en zijn tanden in mijn nek!"

Helles ogen draaiden terug. "Een voorspelling is een voorspelling. Dit is wat ik zag."

"Nu ja, een gewaarschuwd man telt voor twee. Gelukkig zijn helden als die Karel Pepijnsson nog altijd sterfelijk. Eén druppel slangengif in zijn wijn... Tijdig aangekondigde rampen kunnen vaak voorkomen worden."

"Deze voorspelling is onwrikbaar!" Helle klonk bijna beledigd. "Dit is een profetie! Dwingend noodlot!" Haar ogen draaiden automatisch omhoog en weer kreeg haar stem die afschuwelijk snerpende klank. "Eerder nog zal de Yggdrasill omgehakt worden! Ja, en de hemel op aarde neerstorten, dan dat deze profetie niet uitkomt!"

"Goed dat te weten. De wereldboom omhakken..." Hij wreef zich over zijn kin, waar de eerste baardstoppels al begonnen op te komen.

Sigyn staarde hem aan. "Dat kun je niet menen? Dat is het einde van de wereld!"

"Het einde van de wereld wordt vaak te serieus..."

Helle stapte naar voren en legde een sneeuwwitte hand op Sigyns pols. Haar nagels waren volmaakt roze schelpjes. "Wist je trouwens dat deze vrouw je ware geliefde is, vader? De enige vrouw waar je ooit gelukkig mee kunt worden?"

Loki glimlachte. "Ze heeft inderdaad iets heerlijk fels en haatdragends. Viel me bij de eerste blik al op." 

Helle sloeg een arm om Sigyns middel en deed een stap achteruit. Een magische stap, want ze stond ineens op de oever, ruim dertig meter verder.

"We hebben het nog niet over de betaling van mijn profetie gehad," zei Helle. "Welnu, jouw Sigyn is mijn prijs. Zij blijft hier."

"Ik denk het niet, dochter." Loki tikte de punt van zijn dolk aan en het wapen verlengde zich tot een vlammend zwaard. Het water siste en werd stoom zodra zijn voetzolen de rivier raakten.

"Laat haar gaan, Helle. Of ik smelt de poorten van je Niflheim tot lava!" Een dozijn vuurbollen welden uit de punt van zijn zwaard en doken als haviken op de koningin van de onderwereld af.

"Garm!" krijste Helle terwijl ze met haar vrije hand een vuurbol wegsloeg. "Pak hem!"

Het schoothondje sprong van haar schouder en blafte.

Het was een geluid om het hart van de meest onverschrokken helden te stoppen en de trommelvliezen van een trol te knappen. Zo onverdraaglijk luid dat het van de maanschijf zelf moest weerkaatsen.

 

Toen Loki de handen van zijn bloedende oren liet zakken en zijn ogen opende, versperde de hellehond Garm hem de weg. Het monster was zo hoog als grafheuvel, elk haar van zijn vacht zo dik als een mannenpols. Van zijn gele tanden droop gif.

Volgens skalden en wijze mannen die zulke zaken kunnen weten, was Garm zo goed als onkwetsbaar. Enkel Heimdalls magische zwaard zou hem kunnen doden, aan het einde der tijden, en zelfs dan nog zou de god die overwinning met zijn eigen leven moeten bekopen.

Loki geloofde niet in roekeloze dapperheid. Zulke onzin heeft niets grappigs of elegants. Bovendien hadden vrouwen bijzonder weinig aan een dappere, maar totaal verscheurde echtgenoot.

"Sigyn?" riep hij. "Ik kom terug. Spoedig."

Hij hoorde haar antwoord niet omdat Helles honende lach alles overstemde. "Hak je boom om, papa. Breng me een twijg en je krijgt mijn stiefmoeder terug! Ja, een blad van de Yggdrasill. Dat zal de enige sleutel zijn die de poort van Niflheim voor je kan openen."

"Helle. Laten we hierover praten als..."

De rivier stroomde verlaten onder de grijze, grijze hemel. Geen monsterhond, geen dochter of geliefde meer.