Over de Winterrivier
Kaart Winterrivier
Servalle
Kaart Servalle
Muhad Adir
Kaart Muhad Adir
Utgard
Kaart Utgard
Incagrad
Kaart Incagrad
Verhalen deelnemers
                       
DE WERELD VAN DE WINTERRIVIER

Hoe het begon:
In 2056, vlak nadat de laatste wolkenkrabber van Manhattan omviel als een door boorwormen aangevreten redwood, kwamen de Vier Adepten in Venetië bijeen. Dit waren de vier lieden die in naam van de Afwezige God onze wereld besturen.
Talloze vlotten dobberden op het warme water, elk vlot versierd met vergulde leeuwen en wapperende banieren. De gondeliers droegen maskers van lang uitgestorven dieren als gorilla's, meeuwen en ratten. De zon fonkelde in de azuurblauwe zee maar langs de horizon zwiepten de grijze slurven van een naderende orkaan.
'De wereld verdrinkt,' sprak Unmaruq de IJsbeerrijder, 'monsterorkanen razen over de aarde en verscheuren haar groene sluier als een trol de kleren van een maagd.'
'Dit is nog maar het begin,' zei contessa Guilla di Carcassone. 'Spoedig zullen de oceanen zelf koken. Heel de wereld wordt een snelkookpan, met ons als de krijsende garnalen.'
 We hebben rede geprobeerd,' somde Huron van de Zeventien Kraaien op, 'wetenschap en techniek.' Hij spreidde zijn armen. 'En kijk nu toch eens wat een treurig rommelzooitje die bankiers en hun machines ervan gemaakt hebben!'
Ze keken naar hun leider en Adham, de Magus Trismegistos, tuitte zijn lippen, zuchtte. 'Goed, we redden de wereld. Geen techniek meer, geen slimme machines. Laat alle beeldschermen doven, alle elektromagnetische stemmen stilvallen! Alleen magie kan het tij nog keren.'

De Vier Adepten bestegen de hoogste berg van de wereld terwijl aan hun voeten de laatste dijken braken. De Holterberg is hoog genoeg om over de horizon te kijken, alle horizonnen en heel de wereld lag aan hun voeten.  Voor jou zou de Holterberg weinig meer dan een heuvel lijken maar jij bent ook geen Adept.
'De gletsjers zijn gesmolten,' zei Unmaruq. `Alle gletsjers. Het poolijs verdween als een ijsklontje in een glas hete levertraan. Laten we wat experts te hulp roepen.' Hij hief zijn hand en sprak de woorden die de slapende ijsgiganten wekten. De Noorse bergen scharnierden open als de deksel van een sarcofaag. De ijsgiganten kwamen overeind. Ze sloegen hun mantels van gierende poolstorm om, grijnsden ijspegeltanden bloot. Ze ademde uit en waar hun adem over het land streek, bevroren de sinaasappels aan de bomen en veranderden fonteinen in guirlandes van ijs. Een knip van hun vingers en de gletsjers kwamen knarsend in beweging en stroomden van de bergtoppen omlaag. IJskristallen groeiden in het lauwe water van de poolzee: ijskristallen met naalden van een mijl lang. De hemel werd beenderwit, vol stuivende sneeuwvlokken.
'De ozon,' zei Huron, 'het koolzuur.' Een tweede spreuk en eens te meer vlogen de ijsdraken door de hemels. Ze hadden ogen van gloeiend sint Elmsvuur en hun vleugels waren van noorderlicht. De draken ademden ozon in en zuurstof uit. Koolzuur sneeuwde als zwarte grafietvlokken in hun kielzog neer.
Adham pakte de Schaar die hij van de Nornen gestolen had en knipte de glanzende draad door die oorzaak met gevolg verbond.  Met het einde van de voorspelbaarheid verdween ook de toekomst en het verleden, het hele idee van geschiedenis. Alleen het eeuwige heden bleef over, het eindeloos ronddraaiende wiel van de seizoenen, het rijzen en dalen van de zon.
De wereld veranderde, viel in een nieuw patroon. Zover de mensen wisten had de wereld er altijd zo uitgezien.
'Misschien waren we toch iets te enthousiast?' zei contessa Guila di Carcassone. De oceanen waren als sneeuw neergeslagen en bedekten de continenten met een kilometers dikke laag gletsjerijs. De oceaanbekkens lagen leeg onder de hemel die nu met het bleekblauwe licht van een winterochtend straalde. Draken trokken inktzwarte strepen van dwarrelend roet waar tien jaar eerder nog de condensstrepen van jumbojets liepen. Ze keek op haar digitale horloge: de wijzerplaat was egaal grijs geworden. Dat kon kloppen: dit was een oord zonder elektriciteit of hogere techniek.
Aan de voet van de berg begon een reusachtige rivier die bijna tot IJsland doorliep. Steden waren witte stippen langs de oevers. In het westen boog de rivier zich om de punt van Zuid-Amerika en beschreef een lus om een machtig eiland.
Adham luisterde naar de stemmen van de wereld en zei toen: 'Dit is de Vallei van de Winterrivier.' Hij bood de contessa zijn arm aan.  'Kom, laten we afdalen naar de stad Servalle waar de inktvissen met glazen dolken jongleren. Bij de kraampjes van de meervrouwen zullen we de hete gemberwijn proeven en onze gloednieuwe wereld toasten.'
Ze glimlachte naar hem. 'Dat lijkt me heel geen slecht idee.'
 
De Vallei van de Winterrivier:
De rivier slingert zich door  het drooggevallen Atlantische zeebekken, tienduizenden mijlen lang en bij elke bocht geven de vissers haar een andere naam. Stromen met smeltwater van de Afrikaanse en Amerikaanse gletsjers voeden haar. In de dieptes borrelen hete vulkaanbronnen op die het water het hele jaar door ijsvrij houden. Op de gletsjers van de oude vastelanden wonen ijsreuzen en sneeuwtrollen. Ze dalen zelden af naar het laagland.
De draken beheersen de hemel. Het zijn energiewezens die zich met elektromagnetische velden en snelle elektronen voeden. Ze kunnen de ozon van een elektrisch stroompje op honderden mijlen afstand ruiken. De draken duiken omlaag en drinken de batterijen tot de laatste watt leeg, laten de machines smelten.
In de dieptes van de rivier huizen kraken: dertig meter lange pijlinktvissen die zeer bedreven in alle vormen van magie zijn. Het is zelfmoord om op een kraak te jagen. Kleinere inktvissen kunnen een uur of drie op het land leven voor ze de rivier weer moeten bezoeken. Ze hebben de intelligentie van een chimpansee en maken het prachtigste houtsnijwerk met hun vulkaanglazen dolken. Pinguïns hebben de ruimte van de uitgestorven walvissen overgenomen. Dertig, veertig meter lang spuiten ze fonteinen uit hun snavelgaten en zeven garnalen uit het water. Pinguïnhaaien trekken in eskaders door de rivier en verscheuren alles wat ze tegenkomen met hun gezaagtande snavels.

Er zijn drie metropolen met elk zo'n miljoen inwoners: Servalle, Muhad Adir, Incagrad.
In het noorden ligt Servalle, de thuishaven van de Adraneck Handelsfederatie. In de havens liggen prachtige galjoenen, met zeilen van geborduurde zijde. Tamme albatrossen nestelen in de masten. Dit zijn schepen van de pensionado's die nooit meer uit zullen zeilen.
De Handelsfederatie werkt volgens een vast patroon dat even onwrikbaar is als het groeien van een machtige eikenboom uit een eikel. Een jongeman bouwt direct na zijn huwelijk met een stel vrienden een schip, laadt het vol met narwaltanden en marterhuiden die zijn ouders hem als bruidschat schenken. Met hun nieuwe echtgenoten en misschien een eerste baby zeilen ze de rivier af. Langs de oevers ruilen ze hun lading tegen bitternoten en beschilderde mastodonthuiden, rinoceroshoorns. Tegen de tijd dat ze in het tropisch Mahud Adir aanleggen is hun lading al keer of zes veranderd.
Muhad Adir kruipt in terrassen tegen het continentale plat op. Een immense waterval vormt het hart van de stad en deelt Muhad Adir in twee helften. Zestig bruggen spannen zich over de waterval waarvan de Brug van de Zesde Madhi de befaamste is. De inwoners hebben een donkere huid waarover een goudgele glans ligt, als het stof op een vlindervleugel. Bij sommigen groeit er haar op de polsen of over de ruggengraat: een aanwijzing dat hun voorouders met bergtrollen gepaard hebben. Zulke lieden staan bekend als vurige minnaarsen gewilde huwelijkspartners.
De Zevende Madhi regeert al anderhalve eeuw over Muhad Adir: het is een tiran die de pijnappelklieren van pas geboren baby's eet om jong te blijven en de muren van zijn trofeehal behangen heeft met de gelooide tongen van verslagen vijanden. De Madhi heeft alvast een graftombe laten optrekken in de vorm van een vuist met een opgestoken middelvinger. IJsgiganten hebben het uit onverwoestbaar adamantium gesmeed.
Het handelsschip dat als niet veel meer dan een ruime sloep begon, is intussen uitgebouwd tot een flink koggeschip, met niet minder dan drie zeilen, een hoge brug en vergulde patrijspoorten. De kinderen zijn oud genoeg om netten te knopen of  beeldjes van riviergoden uit zalmtandivoor te snijden en te zegenen.
De reis gaat door en de rivier buigt abrupt naar het westen. Aan weerszijden rijst het Adham-massief op, het oude midAtlantische gebergte. Het gewicht van het ijs heeft het gebergte omhoog gedrukt tot het nu zo'n twintig kilometer van de zeebodem oprijst. De toppen zijn hoger dan Mount Everest. Honderden vulkanen spuwen hun as de hemel in en soms stroomt de magma sissend in de rivier uit. De Erveber is de grootste van de vulkanen en haar assliert zou naar verluidt vanaf de maan zelf zichtbaar moeten zijn.
Na het Adham-massief daalt de temperatuur abrupt en voor het eerst sinds hun vertrek is het nodig bontjassen en handschoenen te dragen. In het westen hijsen de bergen van Zuid-Amerika zich boven de horizon uit. Hier heeft het gewicht van het ijs de complete aardschol gekanteld en de schemer valt al in de vroege middag als de zon achter de toppen verdwijnt
De rivier wordt gaandeweg zo smal dat je soms zelfs de tegenoverliggende oever kunt zien. IJs bedekt het land en alleen om de hete bronnen leeft nog korstmos.
Sneeuwspoken wenken de schepelingen van de oevers. Hun huid is wit als sneeuw, net als hun haar en geen vrouw of man was ooit half zo schoon als zij. Verstandige  ouders binden hun puberzonen met ijzerkoord aan de mast vast en draaien de sleutel van hun dochters hut drie keer om.
Het schip rondt de Kaap van Vuurland waar de bewoners een vuurtoren op de schedel van een behemot gebouwd hebben. In de handelspost van Utgard ruilen de handelaars gedroogde dadels en tijgerklauwen tegen de bevroren ogen van keizerspinguïns en zwarte kristallen gigantenbloed. De inboorlingen zijn bijna even bevallig als de sneeuwspoken en een stuk minder bloeddorstig. Menig handelsdochter of zoon blijft hier achter om dieper in die exotische ogen te turen. 
De rivier knikt omhoog en al snel zijn de poolstormen vergeten. Mimosa's bloeien langs de oevers en de rivier opent zich in de Zee van Apu-Illapu, de Zonnegod. Aan de overkant van dat meer ligt machtig Incagrad. Hier volgen de burgers de regels van het Boek van Lenin de Quetzal tot op de letter. Overal bonken de stoommachines en braken schoorstenen kleurige rook. Het is een goed geregelde steampunk maatschappij waar een maagd zonder vrees met een zak goud van het ene eind naar het andere van het eiland kan reizen. Op iedere ordeverstoring staat de doodstraf en de orde wordt dan ook zelden verstoord.

Het schip, dat intussen een bemanning van zo'n tweehonderd heeft, lost zijn lading. De ankers zijn van puur goud, de zeilen de mooiste nachtmottenzijde. Het schip zeilt de rivier weer op, maar nu blijven de ouders rustig rokend tegen de mast leunen terwijl hun kinderen onderhandelen, de route uitstippelen.
Als de jongeman van weleer ten slotte in Servalle terugkeert zal zijn baard wit zijn en zijn schedel kaal. Het oude schip wordt zijn drijvende villa en later zullen zijn kleinkinderen de zeilen hijsen en in hun pas getimmerde sloep de eindeloze rivier afvaren...
 
Er zijn andere oorden die de valleibewoners slechts als geruchten kennen: Island van de Bronnen waar de sjamanen de hemeldraken getemd hebben, het Meer van Lamorah waar de poolbessen zo groot als je vuist zijn en waar alleen de allerheiligste lieden zullen reïncarneren.

                                                                                             
Kaart Winterrivier


kaart Servalle



SERVALLE

Economie:

Economie en betalingssysteem is gebaseerd op parelmoer en schelpen.

Men leeft van de handel (in letterlijk alles, maar de 'farmaceutische tak' is Het grote exportproduct)

Liberale maatschappij: het recht van de rijkste

Scheepswerven, Gilde der Scheepsbouwers belangrijk!

Gilde van de lokale handelaars

Ministerie van de handelszaken, Gilde der schepenbouwers, senaat van kapiteins (allemaal vrouw, die zijn gemener), mannen zijn de navigators (vrouwen kunnen toch geen kaart lezen).

Klasse: hoe verder je je van het water bevindt, hoe lager je bent. Toch zijn de lagere klassen van acteurs en actrices niet arm, omdat zij de priesterklasse en hun decadentie ondersteunen.

Klasse van de stoere jagers.


Dagelijks leven:

Lopen is not done! Hoe rijker, hoe groter de boten. Rijke mensen lopen nooit.

Een beetje dikker is in de mode: als je nooit loopt, lubber je uit.

De motrone van de familie wordt het schip op getakeld.

De oude mensen spelen ook het liefst zeeslag met kleine bootjes, schaakspellen met zeewezens en bootjes enz. Competities en kampioenschappen. Daar zou je eventueel een boot mee kunnen winnen. Als men kinds wordt is het wel gaaf om door het amfitheater te varen tussen allerlei enge zeewezens. Decadent en fout.

Restaurants waarin je eigen vis kunt vangen enz. Alles om de illusie van vroeger maar hoog te houden.

Enorm rivaliserende families, die in attracties concurreren en dat er daar hele maffia-achtige oorlogen kunnen uitbreken. Familievetes.

Als je weer in Servalle bent, blijft er altijd een romantisch verlangen bestaan naar de zee, die oudjes slijten hun laatste rijke dagen in de stad en weten dat ze daar zullen sterven.

Mensen dragen een klein afgericht inktvisje met zich mee als een chihuahua. Dat is ook een soort statussymbool.

Verfpigmenten komen van de inktvissen, in alle kleuren.

Altijd zoeken naar het Meer van Lamorah, de ultieme queeste, om zonder te sterven daarheen te kunnen.

Heel veel oude mensen, beetje Florida

Zigeuner-trekjes

Kinderen stelen in andere steden

Na de dood de eeuwige reis, geen kerkhoven en dat soort dingen, reizen is het hoogste goed

Huwelijk is lastig. Je krijgt een boot, maar de hele zooi wordt vaak onderweg geregeld omdat iedereen altijd reist. Huwelijksbootje

Wat doe je als je niet op zo'n boot geboren bent?

Oude mensjes verzorgen. Straf als je ouders niet genoeg hebben verdiend om een boot voor je te regelen of als je niet hebt kunnen trouwen. Wel veel homo's dus in die verzorging ;-) Hun verlangen naar reizen leven ze uit in het theater.

Hele horde kinderen van die acteurs en verzorgers die nooit de kans zullen krijgen om een eigen boot te hebben


De stad zelf:

Heeft veel weg van Venetie

De stad heeft niet zo heel veel exotisch, ze is gegroeid als een echte havenstad.

Herberg in het midden van de slechte wijk 'De eerlijke zeevaarder'

Amfitheater om de reizen vanuit je rolstoel nog eens dunnetjes over te doen, ondergelopen als in het colosseum enz

De parelmoer bol is de markt.

Iedereen woont op schepen, de pakhuizen staan op de wal

De wijken zijn in handen van families.

De tunnels zijn zo klein dat de trollen er niet doorheen kunnen, dat zijn de enige wegen aan de buitenrand van de stad om te voorkomen dat ze de enge beesten te veel triggeren.


Buiten de stad:

Piraten zijn indianen (Native Americans). Doen denken aan eskimo's. Er is iets heel angstaanjagends aan mensen in bont. Ze eten de schoot-inktvissen en daar krijgen ze magische krachten van. Daarnaast kunnen ze de inktvissen africhten om enorm goed te dolkwerpen. Inktvisboten (als sledehonden).

Landbouwgebied is wel in de buurt, grote coöperaties die met heel veel mensen die op het land werken


Magie:

Priesterorde van wind- en waterbezweerders, die allebei altijd een ego hebben van hier tot Utgard en toch zullen moeten samenwerken. Die zitten overigens in alle steden. Je moet ze bijna omkopen om met jou mee te gaan, de armen en beginnelingen moeten hun eigen kont maar redden.

Hoe worden die talenten ontdekt? En waar haal je die kracht vandaan? Komt het door de medicijnen, die magisch zijn?

Hoogste priesters claimen contact te hebben met het Meer van Lamorah.

Priesters zijn gewoon gildeleden, we noemen ze geen priesters. Ze zijn zo decadent als de hel. Ze mogen pas na een flink aantal jaren op zee in de stad blijven.

Grote farmaceutische industrie. Ouderen-middeltjes, zeeziekte (in de zin van het verlangen naar de zee), spookfamilies onderdrukken. Dit is heel magische handelswaar, in de handen van de priesterordes. Ze doen dus eigenlijk net alsof het magie is. De Adept is de baas, hij/zij verdient zo zijn geld en kan de mensen heerlijk dom houden op deze manier. Practisch uitvoerder van de plannen van de Adepten, dus hij vindt zichzelf het belangrijkste. Adept van Utgard is zijn nemisis. Guila di Carcassone.

Ook veel gif, drugs, kortom, handelswaar.


Natuur:

Broedplaats van de Leviathans, die dan de hele rivier naar het zuiden nemen en daar transformeren in de draken. Totale karakterverandering, van lief dolfijn-achtig naar eng en groot naar totaal verwoestend en intolerant.

De Behemoth graast de zeegrasvelden af en houdt zou de scheepvaartroutes open.



Verhaalideeën:


Zoon van rijke handelaar die acteur wil worden

Schelmenverhalen van mensen die ook willen gaan en met list en bedrog boten regelen (muiterij)

Excentriekeling die juist een museum wil beginnen over de oudheid en die echt voor gek wordt versleten.

Halfbloeden die bij de priesterorde willen, of uit de verkeerde familie/klasse

Het inktvisbevrijdingsfront.

Liefdeverhalen bij de vleet

De queesten die te maken hebben met het meer van Lamorah

Kind van twaalf, arme klasse dus voorbestemd verzorger te worden, verstekeling

Jacht op de Narwallen en Marters

Familievetes, familie-intriges

Leviathan die is opgedoken in de zeeen bij Servalle

Leviathan (morsdood) die een belangrijkere kleine rivier heeft afgesloten.




Incagrad



INCAGRAD

De vrouwelijke Adept contessa Guila di Carcassone houdt zich in Incagrad op. Zij is daar de matriarch, ze is natuurlijk wel incognito en noemt zich Helena. Dit is ter ere van het boek van Lenin de quetzal.

Doel van de maatschappelijke opbouw is dat iedereen gelukkig en tevreden is en dat ieder mens nuttig is en een volledig onderdeel van de maatschappij.

Je hebt als kind geen keuze. Van baby af ga je al het onderwijs in. Op je vierde wordt de beslissing genomen wat je groeirichting is.

  • Maatschappelijke vorming / onderwijs:

4-6 jaar: algemene basisvorming: Voor iedereen gelijk, tot je zesde kan de richting nog aangepast worden. Dan wordt het definitief op je zesde.

6-10 jaar: basisvorming geënt op je vakgebied.

10-14 jaar: Specialisatie op je vakgebied.

Onder leiding van psychologen gaan ze daarna even back to basic. Het doel hiervan is dankbaar terugkomen met hernieuwde energie en de wil om aan de maatschappij bij te dragen. (Even stoom af laten. Beetje uit de band springen, spannend kampuitje.)

14-18 jaar: Diepere specialisatie plus afstuderen. Het afstuderen schept de verwachting dat de afstudeerder een uitvinding doet of een andere persoonlijke bijdrage aan het grote goed. Ze zweren dan ook de eed op het boek van Lenin.

18-22 jaar: Maatschappelijk sociale inzet vanuit je vakgebied – verzorging ouderen, leger, kindercrèche, daar ben je bezig in deze periode. Je wordt dan ingezet in een onderdeel waar je straks niet werkzaam wordt. Stel je vak is verpleging, dan loop je bijvoorbeeld stage in het leger.

Verbondenheid en samenwerking zijn het allerbelangrijkste. Uit onderzoek blijkt dat er elke 7 jaar een dip komt in de wil om te leren, de blokjes van vier jaar voorkomen die kleine inzinkingen waardoor iedereen toch wel weer tevreden blijft. Talenten zijn niet voor jezelf, maar voor de maatschappij. Zo kan iedereen studeren.

  • Rechtssysteem:

Incagrad is een geweldloze maatschappij. Vanaf je geboorte word je al geïndoctrineerd in de traditie van het Boek.

Doodstraf komt bijna nooit voor en als het gebeurt dan betreft het met name handelaren die zich niet aan de regels houden.

De vrouwen beslissen wanneer er iets gebeurt op liefdesgebied. Er wordt niet getrouwd. Commune idee.

Sloten op de deuren bestaan niet, alles is gemeenschappelijk bezit, dus diefstal bestaat ook niet.

In de haven worden vreemdelingen verwelkomd met de regels, maar er is wel een flinke douane. Er is een enorme controlepost in de riviermond die van Utgard afkomt. Hier moet tol betaald worden en worden de dossiers van de reizigers al aangelegd.

Er zitten natuurlijk ook prostituees in de haven, bloedmooi en zeer kundig: De beste van de hele wereld.

Je mag als inwoner wel weg, maar dan moet je als je terug wilt komen opnieuw een test en een opleiding, je wordt dan hetzelfde behandeld als een vreemdeling die zich in de stad wil vestigen.

De doodstraf bestaat uit een dodelijke injectie voor de inwoners. Ter doodveroordeelden worden netjes verwijderd en bestaan niet meer voor de maatschappij. Ze lopen door de deur van nooit meer terugkomen.

Alle identiteiten wordt opgenomen in een archief. Met een speciaal document kan men door de stad reizen. Er worden schetsen van iedereen gemaakt. Vreemdelingen die de fout ingaan worden verbannen, als ze terug komen worden ze gedood. Dit gebeurt publiekelijk. De toegang van de grote haven is een poort die bestaat uit schedels van overtreders.

Huwelijken van buitenstaanders zijn ook nietig, echtelieden worden opgesplitst. Een buitenstaander die in Incagrad komt wonen krijgt een vaste begeleider en wordt langzaam in de maatschappij geïntegreerd. We hebben ze wel nodig, dus we maken het leuk voor de mensen om te komen. Er is onder gecontroleerde omstandigheden vertier. Er is een stadsdrankje waar je blij van wordt, het wordt met stoommachines volgens een geheim recept gebrouwen. Vanuit de hele wereld komen mensen om dit drankje te kopen vanwege de bijzondere eigenschappen.

  • Gezin:

Bij zwangerschap krijg je vrij, je wordt deels ontheven uit je maatschappelijke verplichting. Bij zorg voor familie en andere naasten geldt dit ook. Het eerste jaar zorg je lekker zelf voor de baby als je dat wilt. De vader mag dit ook. De ouderlijke liefde is het eerste jaar heel erg belangrijk.

Er zijn geen gehandicapten. Mensen met een beperking, lichamelijk of geestelijk, hebben ook hun nut voor de maatschappij en krijgen ook een taak.

Als je ouder wordt worden je taken aangepast aan je omstandigheden. Zo blijft iedereen blij en gelukkig. Iedereen heeft zijn hele leven zijn of haar nut voor de maatschappij.


  • Eenheid / gemeenschappelijk bezit:

Alles is publiek bezit en er zitten geen sloten op de deur. Iedereen heeft hetzelfde salaris. Kleding en voedsel krijg je uitgedeeld. (Basispakket).

Handel wordt gedreven met dat standaardsalaris en goederen, maar altijd voor de maatschappij, niet voor een persoon.

Sport en uiterlijk zijn toch belangrijk, want we willen een leuke stad met een mooie sfeer. Dit wordt gestimuleerd.

In gemeenschapshuizen ga je lekker eten en kleding halen/ruilen. Er zijn ook kapsters en visagisten aanwezig daar, want iedereen wil er leuk uitzien. De kleding wordt natuurlijk ook verhandeld met buitenstaanders.

Lijfgebonden dingen zijn wel persoonlijk zoals ondergoed en dergelijke. De rest deel je, je bent dat gewend. Er is ook veel kunst en cultuur. Publiek bezit natuurlijk, er is voldoende vrije tijd om ervan te genieten.

Alles wordt geëxporteerd, ook de kunst. De inwoners houden van genieten en laten het graag zien.







kaart Muhad Adir





MUHAD ADIR

Welkom in Muhad Adir. Kom aan wal en geniet van onze Oosterse heerlijkheden. Wij staan bekend als prettig volk om handel mee te bedrijven. Na uw bezoek zijn wij bereid om onze gedetaileerde kennis van de nabijgelegen zeeroutes met u te delen om u weer veilig op weg te helpen.

De stad ziet er betoverend uit en de bewoners zijn charmant. Het is goed handel drijven. Maar alle informatie over de scheepsladingen wordt nauwkeurig verzameld en onthouden. Alles wat niet rederlijker wijs te verhandelen valt, wordt door een selecte groep Muhadaanse piraten geroofd zodra de schepen weer vertrokken zijn uit de stad.

Laat de andere volken maar dromen en fantaseren over het paradijslijke Meer van Lamorah. De zevende Madhi van deze stad onderneemt actie! In het geheim maakt hij voorbereidingen om de ijsvlakten te gaan trotseren. Vereerd worden als God bevalt hem wel. Maar waarom zou hij genoegen nemen met slechts één stad, als wereldmacht binnen bereik is via Lamorah!?
Er wordt een gigantisch ijsschip gebouwd - met een romp van adamantium – onder leiding van de zonen van de Madhi. Geen werker keert levend terug van de bouwplek. Op deze manier wordt het geheim gewaarborgd.

Door bloedverbonden in het verleden staat de Madhi op redelijk goede voet met de bergtrollen aan de rand van het ijs. Dit schept mogelijkheden voor de reis naar het Meer van Lamorah. Er is echter ook oorlog met andere bergtrol stammen, die maar wat graag de stad komen leegroven.

De legermacht en de bouw van het ijsschip kosten nogal wat. Alle materialen die niet bemachtigd kunnen worden via de handel, worden in opdracht van de Madhi via piraterij geroofd. Overlevenden worden gebruikt als slaaf.

De Madhi wordt vereerd als een godheid. Iedere maand worden er tien pasgeboren kinderen gepresenteerd (maximaal een week jong) aan de medische raadsheren van het paleis. Er wordt één uitverkoren baby naar de Madhi gebracht. Het is een grote eer – een statussymbool – voor de familie als hun baby uitverkorene is.
Alle mensen van het volk mogen een baby presenteren. Dit schept dus mogelijkheden. Hoe meer baby’s binnen een familie worden uitverkoren, hoe groter het aanzien. Hoe groter het aanzien, hoe groter de (kans op) rijkdom. Hoe rijker, hoe meer mogelijkheden voor een harem.
Vruchtbaarheid van een vrouw is belangrijker dan schoonheid (het liefst beiden natuurlijk).

Connecties met de andere steden:

Servalle vanwege medicijnen en medische kennis en Incagrad vanwege jonge vruchtbare vrouwen (die zij wellicht willen lozen vanwege opstandig gedrag?   wegens ons belang bij waardige aantallen gezonde pasgeborenen

Utgard vanwege de haren van de sneeuwspoken voor touwen op het inmens grote ijsschip

Adamantium is alleen in het rijk van de watervallen te delven. Het is een gewilde kostbare grondstof.



Mogelijke ontwikkelingen:

Zwangere vrouwen die bewust hun kind ter wereld (moeten /of/ willen) laten halen, omdat de tijd is aangebroken om een uitverkoren baby te presenteren.

De Madhi veroudert snel omdat de pijnappelklier van 1 of wellicht meerdere baby's niet volgroeid was en de Madhi dus niet de benodigde verjong-ing verschaft

Hoe zit het als er een hoerenkind wordt geselecteerd.

Intriges die in gang worden gezet onder het dak van herberg "De Vermoeide Reiziger" of "De Eerlijke Handelaar" of "De Fortuin Zoekers"

Competitie onder de zonen van de Zevende Madhi. Omwille van eigenbelang werken ze nu met elkaar samen, maar zodra de kans zich zal voordoen wil iedereen de macht voor zichzelf. Het kan zijn dat er een zoon bij is die niet gelooft in de reis naar het Meer van Lamorah en zo zijn eigen ideeen erop na houdt.

Bergtrollen manipuleren. Enerzijds bepaalde stammen sterker maken, anderzijds andere stammen tegen elkaar opzetten. Sommige stammen tevreden houden door bv Oosterse vrouwen – die geen kinderen kunnen baren – te schenken.

Er zijn kleine wendbare ijsschepen gebouwd om de grote logge trollen te kunnen omzeilen. Geen enkele expeditie is ooit teruggekeerd. Totdat... er een overlevende verslag kan doen van zijn bevindingen. Helaas sterft hij voordat hij nog één laatste  belangrijke aanwijzing kan geven. (Heerlijk cliché, maar zoeits gaat er altijd wel in, toch?!). De Madhi besluit tot de bouw van één groot schip en komt met de aanwijzingen de trollen voorbij. Helaas heeft hij dan alsnog een probleem als hij de IJsreuzen tegenkomt. Zij hebben een alliantie gevormd met de bergtrollen....

Sjamaan van het Island van de Bronnen ontvoeren om zijn kennis van de draken. De mogelijkheid om een draak te controleren, te temmen is interessant .Misschien is er een draak nodig om het ijsschip te begeleiden in zijn strijd.

Er is een speciale kweekpoel, waar pinguinhaaien worden gekweekt. De magiers die dit beheren hebben de macht over deze beesten. En dat is ontzettend handig op de rooftochten. Niemand linkt een aanval van deze beesten aan de piraterij.

Ruimte voldoende voor schelmen verhalen en intriges.


kaart Utgard





UTGARD



Ze handelen in kristallen gigantenbloed.Bloed wordt gestolen van een slapende gigant.Ze worden in slaap gezongen door een lied dat ze nog nooit hebben gehoord, door een iemand die 100% mens is, totaal onschuldig. Speciale opvoeding, een begeleider die alles uitlegt waarom het zo is.
Bloed wordt als een mug uit de gigant ‘gezogen’.

Raszuiver mens komt van nature in deze stad niet voor, dus moeten ze baby’s stelen van de handelaren op de langskomende schepen, of het lokken van zwangere alleenstaande vrouwen.

Auto’s worden gezien als slakkenhuizen. Edelman verzameld auto’s.

Er wordt gehandeld in Keizerpinguïn ogen… hoe vangen we die… zware vrouwenwerk…
Een net geknoopt van de haren van de sneeuwspoken dat supersterk om een krachtige keizerpinguïn te vangen. In de struiken, met bladeren scherp als scheermesjes, hangen deze haren. Zodra de zon weer opkomt, dan vallen de haren van de sneeuwspoken uit…

De ogen van de keizerpinguïns kunnen als spotlichten gebruikt worden, en dus als handelwaar dienen. Het is het licht dat de dieren tijdens hun leven hebben opgeslagen in hun ogen. Hoe groter en ouder de pinguïn, des te langer gaan ze mee. Als ze de ogen bevroren staan ze ‘uit’.
De keizerpinguïn sterft door uitputting door de verleiding van de sneeuwspoken.
Handschoenen, gemaakt van sneeuwspook haren waar de magie uit verdwenen is.

Hoeren gebruiken de haren om klanten te lokken. De edelen, willen graag een condoom van dezelfde haren… voor mensen die hem niet meer omhoog krijgen.

Twee broers die de behemot hebben verslaan waarvan de schedel op de berg staat. Het is een legende dus… echt verslaan hebben ze hem niet. De vader gooide steeds zijn kinderen in het water, en lokte hem steeds de kant op… het dier ligt op de wal, gaat dood onder zijn gewicht. De vrouw vermoord de vader, de broer gaat met de eer strijken… dit duurt zeven generaties, we zitten in de zeven de generatie. De andere broer heeft zich zogenaamd opgeofferd is de mythe, het laatste kind dat overboord is gegooid was van de vrouw en de broer. Degene die nu regeert is de zevende generatie, de verzamelaar en ongeschikt, er is onrust omdat de hertog zich moet gaan bewijzen of hij echt een waardig heerser is. Opnieuw een behmot vangen… dat is de queeste… bij servalle zit de enige gespotte behmot… van servalle naar utgard duurt minimaal dertig jaar… hij zit al jaren achter het beest aan en krijgt er op een of andere manier een band met het dier… en kan het niet meer doden of na dertig jaar is het niet meer interessant dat hij komt om het dier te doden… iemand anders heeft het geheel overgenomen.

Een behmot is niet gevaarlijk, door mimicry (wespenstrepen op een vlieg) lijkt hij gevaarlijk dus makkelijk te vangen. Hij eet de kelpwouden op rondom de wateren waardoor wateren bevaarbaar blijven.

De tiran, die met het zingen het volk in slaap krijgt en hier mee dreigt, eerst heeft hij alles een week laten slapen waardoor er van alles misging (oogballen aan!) door de verhalen van zijn begeleider kan hij overal een draai aangeven waardoor vreselijk dingen liefelijk klinken. Een handelskind, als baby gestolen, en de broer van de baby is op zoek naar zijn broer. De broer gaat op zoek naar de heerser utgard omdat deze de behmot naar urgard is gelokt. Een zieneres heeft wat aanwijzingen dat hij een broer heeft maar hij er pas niets mee kan als hij de behmot gevonden heeft. De tiran kan de behmot met zijn superzang beheersen, in slaap sluimeren.

Pas als de broers op oudere leeftijd zijn aangekomen is er de confrontatie. Het oog is de klankkast. In het begin van de saga op zoek naar macht… op het eind blussen ze uit.


Hier eten ze eetbaar zeewier en dus niet nuttig, bij Servalle houdt hij de vaarroutes open en vrij van kelp en dergelijke.

Uiteindelijk geeft de tiran toe door om voor zijn broer de behmot te wekken, echter bij de eerste toon krijgt hij een hartaanval en de eerste toon gaat over in een doodreutel…. Hij valt van de toren… raakt de rots twaalf keer de man veranderd in een zak met gebroken botten en valt voor de neus van een onschuldig mereltje, een jong kereltje waarvan de begeleider meteen verteld dat het iets moois om uit het oog te vallen…


Wat eten ze:
Diertjes uit de rondom gelegen wateren, vlees van de pinguïns voor rituelen, eieren van de vogels… marmotten groot als muskusossen met grote voortanden om de sneeuw weg te schrapen en zo bij het mos kunnen en kunnen fluiten dat super irritant is. Marmottenherders hebben oorschelpen op.

Wat drinken ze:
Er is drank… gegiste marmottenmelk met een nagelpuntje gigantenbloed.

Waar betalen ze mee:
Munteenheid wordt gemaakt van dentine of ivoor (is veel meer waard en wordt gedolven door het uithouwen van de tanden van de behmot.)

Het gigantenbloed zorgt dat je orgasme dagenlang duurt. Het heelt wonden sneller. Het is op verschillende manieren te bewerken, de alchemisten… zo kan het je beschermen tegen de kou. Want waar de sneeuwspoken leven is het superkoud. Het is ook handel… iedereen wil het hebben.

Vervoer:
Door marmotten getrokken wagens…
Achterland zijn er sleebanen… met de lift omhoog en met de slee naar terug naar de stad.
Klimroutes… touwbruggen (steen en hout kan niet kou), gemaakt van marmottendarmen.

Welvarend, dus cultuur, met oplichters…er is een gildensysteem, ze zijn trots dat ze een smeltkroes zijn. Open gilden…iedereen is welkom als ze de juiste vaardigheden hebben.



Verhalen van deelnemers

Santhir door Jannie de Zeeuw
Het sneeuwspookmeisje door Tais Teng
Paulo's eind door Marieke Frankema
Miléna, het havenhoertje door Astrid Lecomte
Verloren en herwonnen door Iris Versluis
Het recht van de sterkste – Muhad Adir - Jannie de Zeeuw
Marysa's val
– Servalle
Zilvertands onbehagen – Muhad Adir - Okke
Welkom, vreemdeling – Incagrad
- Marie-José Jansen
De diepste verbintenis – Incagrad - Marie-José Jansen
De zachte hand – Incagrad - Marie-José Jansen

DOORGEEFVERHALEN

Afgezaagd – Servalle door Marieke-Tais-Alex
Als een Behemoth in de branding – Servalle -Iris – Simone – Marieke
Een koude ontvangst
– Mahid Adir
De prins en de scheepsbouwer
-Muhad Adhir door Jannie-
Haar als zilveren maanlicht – Utgard – Simone – Marieke - Tais
Valeria in rood – Incagrad  door Diana -

Waar de sneeuwbezweerders hun warmte vandaan halen - Utgard – Tais – Alex – Jannie

Een ontdekking die de wereld van Santhir kan veranderen,
een Muhad Adir microverhaal door Jannie de Zeeuw

De matheid in Santhir's ogen had plaats gemaakt voor verwondering. De eindeloze gangen achter de watervallen hadden hem deze keer naar een echte schat geleid.

De schittering, afkomstig van de boeg van een gigantisch witzilveren schip, deed de omliggende bergwanden in ontelbare kleuren uitbarsten. Honderden lichamen glommen van het zweet en bewogen zich ijverig tussen de bergen adamantium en stapels kristalhout door. Zijden zijldoeken werden bewerkt en meters tot touwen gevlochten sneeuwtrollenhaar werden omhoog gehesen. De jongen keek zijn ogen uit. Zoveel waardevolle spullen bij elkaar; wat een kans voor de roverszoon!

Santhir was een jongen van weinig woorden. Maar nu had hij reden om te spreken. Hij kroop achteruit weg van zijn uitkijkpunt, terug naar de nauwe opening in de rotswand. Pas toen hij weer rechtop kon staan, in de vertrouwde koelte van het labyrint, glibberde hij zo snel als hij kon terug naar huis. Nu zou zijn vader wel naar hem moeten luisteren.

Als jongste in het gezin had Santhir het flink te verduren. Maar met opgeheven hoofd onderging hij de meest vervelende klusjes, alsof hij zijn kans afwachtte. Zijn twee broers die veel ouder waren dan Santhir hadden hem vaak zitten jennen. Maar het stilzwijgen van Santhir werkte hen op de zenuwen en de laatste maanden negeerden ze hem volledig.

Er gleed een glimlach over het gezicht van Santhir en zijn ogen schitterden. Dit was zijn kans. Door de vondst van de schat – waarvan de werkelijke betekenis en de gevolgen van bekendmaking hem waarschijnlijk ver te boven gingen – kon hij zijn vader bewijzen een waardige roverszoon te zijn.

Santhir liet zich soepeltjes van een groot rotsblok afglijden, kwam stevig op beide voeten neer en zette het een stuk op een lopen. Zijn voetstappen echode door de grot. In zijn enthousiasme lette hij niet op, stootte zijn hoofd met een vaart tegen een stalactiet en viel morsdood neer.


Het Sneeuwspookmeisje,
 een Utgard microverhaal van Tais Teng

Het was de achtste nacht. Lers zat op de vensterbank, met zijn benen buiten het raam, en zuchtte. De poolnacht boven Utgard was gevuld met noorderlicht en twinkeloze sterren. Tussen die wapperende gordijnen van hitteloos vuur dartelden draken. Lers negeerde hen: zijn blik was op de tegenoverliggende oever gericht. Op het minuscule figuurtje waarvan Lers intussen elk detail kende.

Het sneeuwspookmeisje was zes dagen geleden voor het eerst zijn dromen binnengewandeld.
'Ik heet Yilore van de Eindeloze Rijpvelden,' zei ze. Haar stem klonk als de wind in de manshoge ijsbloemen langs de trap naar de ijsgiganten. Kil, poolkoud en tegelijk zo melodieus. Een ruk met haar hoofd liet haar zilveren lokken zwieren. `Vind je me aantrekkelijk?
'Je bent, je bent... beeldschoon,' stamelde Lers en meteen daarop dacht hij; ik stotter verdomme zelfs in een natte droom! En de ergernis was zo groot geweest dat hij bijna ontwaakte.
'Goed,' zei Yilore. 'Smacht naar me. Droom van je handen op mijn glinterende borsten. Hoe mijn lippen onder de jouwe zullen voelen, veerkrachtig als het vel van een huwelijkstrom en tintelend.'
'Wat wil je?'
Het sneeuwspook lachte. 'Jou. Ik wil je diep en hard in mijn lijf voelen tot ik ik het uitschreeuw van genot. Daarna zal ik je nek breken en al het bloed uit je aderen zuigen. Je botten pas in in elkaar als palen voor de wintertent die ik met jouw gelooide vel zal bekleden.'
'Je bent wel erg eerlijk,' zei Lers. 'Met jou door de sneeuw rollen, lijkt me heerlijk maar de rest bevalt me toch minder.'
'Het vrouwtje van de bidsprinkhaan verslindt haar man na de daad en ik heb nog nooit een sprinkhaan horen klagen.' Ze sloeg haar armen om hem heen, kuste hem. Hij kon haar opstaande tepels tegen zijn borst voelen schuren en het meisje was warm, goddelijk warm. Absoluut niet wat je van een sneeuwspook zou verwachten. Yilore rook naar de blauwe gentianen die aan de voet van de gletsjers groeiden, gentianen en okergeel mos.
'Ah,' grinnikte ze, 'je vind me dus toch aardig.' Ze streelde zijn penis. `Palen liegen niet en die van jou zou een walrus niet misstaan.'

Lers ouders waren nieuwkomers, volbloed mensen uit het verre Sevalle en door zijn ouders stroomde geen druppel sneeuwspokenbloed. Natuurlijk haalden de meisjes van zijn wijk hun elegante bleke neusjes voor hem op: dit was de eerste keer dat een vrouw hem wilde kussen, ook al was het maar in een droom..

Yilore liet zich op hem neer en begon ritmisch te bewegen. Ze had dit duidelijk eerder gedaan. Lers rug kromde zich als een dwergenboog en alle woorden woeien uit zijn hoofd weg. Hij kon enkel nog kreunen. Laat dit doorgaan, nooit stoppen. Nooit. Zijn vingertoppen werden zo gevoelig dat hij de poriën op haar witsatijnen huid kon voelen.
'Yilore, Yilore.' Haar naam ratelde in zijn keel en ze giechelde, beet speels in zijn oorlel.
Lers orgasme dreunde als een lawine door heel zijn lijf en liet hem slap als een kluwen zeewier achter.Yilore kwam overeind. `Dit was maar een droom, ' zei ze. 'Een doffe reflectie van de werkelijkheid. Als je me echt in je armen houdt...' Ze stapte achteruit en huppelde door het open raam weg over een sliert van noorderlicht.

Lers ogen sprongen open en hij zag haar op een sneeuwbank aan de andere oever staan. Het meisje wuifde, loste op. Lers knipperde met zijn ogen. Ik slaap nog half, maakte hij zichzelf wijs. Dat ik haar daar zag, dat was enkel een droomflard.
In de kamer hing de geur van gletjerbloemen en op de granieten vloer stonden voetafdrukken in rijp. De omtrekken van een oneindig bevallige meisjesvoet. En zijn linker oorlelletje klopte en bonsde.

De volgende nacht sloot hij zijn ogen in een vreemde stemming, een mengeling van doodsangst en gretigheid. Yilore verscheen niet in zijn dromen. Toen hij echter omstreeks middernacht opstond om in zijn plaspot te wateren, dwaalde zijn blik af naar het raam. Of dwalen was niet het juiste woord, een miniem rukje aan zijn wimpers, een zuigende druk op zijn oogbollen.
Aan de overkant van de Winterrivier stond een bevallig figuurtje. Ze wenkte hem, twee keer, drie keer en toen lagen de sneeuwbanken weer leeg en verlaten in het sterlicht.

Een week verstreek en onder Lers ogen verschenen grijze wallen. Elke passerende vrouw deed hem aan het sneeuwmeisje denken en zelfs de sneeuw onder zijn bontlaarzen knerspte bij elke stap haar naam uit. Dit kon zo niet doorgaan.

De bejaarde sjamaan Wulf vroeg een handvol ijswormeieren voor hij zelfs maar naar Lers wilde luisteren.
'Een sneeuwspook dus,' knikte Wulf voor Lers een woord kon uitbrengen, maar daar was hij ook een sjamaan voor. 'Ja , die dames zijn allemaal hoogst onbetrouwbaar. Geen haar beter dan lamia's en vampiers. Tuk op mensenzaad en bloed.' Hij wreef over zijn kale kanar, trok aan zijn grijze hangsnor en keek Lers toen recht in de ogen. `Wat is precies je klacht?'
'Ik ben bang dat ik op een nacht een kajak pak en naar de andere oever roei. Dan vermoordt ze me.'
'Na je de nacht van je leven gegeven te hebben,' zei de sjamaan. 'Geloof me, die meiden zijn heet en wat is er mis met een kort maar extatisch leven? Heel wat helden zouden geen seconde aarzelen als een sneeuwspook ze wenkte. Ze zag duidelijk wat in je, toch? Dat ze niet alleen je bloed maar ook je zaad wilde.'
'Ik ben geen held,' zei Lers. 'Ik heb niks tegen een lang en comfortabel leven. Als een schatrijke koopman bijvoorbeeld. De walrus die lui in de warme zon doezelt, met een maag voor zalmen, trek me meer aan dan een fiere veelvraat met een vacht vol trotse littekens.'
'Dat kost je dan nog twee handenvol eieren.' Wulf trok een lade open. 'Hang dit snoer met fossiele schelpen om. Zodra je haar stem hoort, zullen je voeten aan de vloer vastvriezen en kun je geen stap meer zetten. Dat zou genoeg moeten zijn.
`Bedankt. Je hebt waarschijnlijk mijn leven gered.'
'Het leven van een vadsige koopman.' De sjamaan snoof. 'Je begrijpt niet wat je mist. Als ik half zo oud als jou was, nou, dan wist ik wel.'

Die nacht wekte haar stem hem uit het diepst van zijn slaap. Ze sprak zijn naam uit en de klanken haakten zich in iedere winding van zijn brein, trokken hem rechtovereind in bed als een marionet aan onzichtbare touwtjes. Zodra zijn voeten de vloer raakten, waaierde een kring van ijs uit en vroren zijn voetzolen pardoes vast aan de tegels. Ze riep hem een tweede keer en Lers rukte zijn linkervoet zo hard los dat een reep bevroren huid achterbleef. Zodra zijn voet echter neerkwam, kitte het magische ijs hem weer vast.

Yilore riep hem een derde keer en toen verwoei ze tot een sneeuwvlaag.


'En?' vroeg de sjamaan de volgende ochtend toen Lers langs zijn altaar hinkte. 'Werkte het een beetje?'
'Ik vroor aan de vloer vast. Ik kon geen stap zetten.'
'Het blijft eeuwig zonde,' mopperde de sjamaan. 'Geen pit meer, die jeugd van tegenwoordig.' Hij liet het gordijn van zijn offerruimte achter zich dichtvallen.

Die nacht werd hij precies om middernacht wakker en lag hij met gespitste oren onder de wollen dekens. Buiten was het zo stil dat hij het noorderlicht kon horen suizelen en klikken. Niemand riep zijn naam. Om half een kon hij niet langer aan en stond hij en snelde naar het raam. Zijn voeten vertoonde niet de minste neiging aan de vloer vast te vriezen. Yilore stond aan de overkant van de rivier en haar zilveren haar golfde. Ze omhelsde Wulf, de sjamaan die blijkbaar toch minder bejaard was dan hij eruit zag.
Lers stommelde terug naar zijn bed, kneep zijn ogen stijf dicht. 'Je begrijpt niet wat je mist,' had Wulf gezegd. Het probleem was dat Lers dat nu prima begreep.

Later wordt Lers inderdaad een koopman, een koopman zo onbetamelijk rijk dat een van de zilverharige buurmeisjes ten slotte toestemt hem te huwen. Briget is beslist beeldschoon, voor een mens met niet meer dan een paar druppels sneeuwspokenbloed dan, maar ze haalt het natuurlijk niet bij Yilore. Nadat ze hem twee dochters en een zoon gebaard heeft, brengen ze nacht voortaan door in gescheiden slaapkamers.
Te middernacht kun je een olielampje in het raam van de meesterkoopman zien branden. Lers zit met zijn benen buitenboord in het open raam. Hij tuurt naar de verste oever en zucht, een zucht die helemaal uit de bodem van zijn lillende buik lijkt te komen.


Paulo's eind,
een Servalle microverhaaltje door Marieke
Frankema

Het licht van de ondergaande zon twinkelt roze in het water van de baai. In de verte kun je de golven zien die zijn veroorzaakt door een grazende behemoth. Als je goed kijkt, kun je zijn vorm nog herkennen.
Van een terras verderop in de waterstraat klinkt muziek, verstoord door het geschreeuw van een omhooggevallen regisseur die zijn dag niet heeft.
Paulo heeft het allemaal al eerder gehoord. Hij sluit zijn ogen, leunt achterover tegen de zijkant van zijn gondel en laat zijn benen aan de andere kant over de rand bungelen.
Het leven is goed. De zon streelt zijn wangen en neus en kietelt zijn tenen.
Daar voelt het vreemd genoeg een beetje nattig.
Nog voor Paulo zijn ogen kan openen om te kijken hoe dat mogelijk is, sleurt een inktvis hem aan zijn voeten de diepte in.
Hij ziet nog net dat het dier helder geel is, de favoriete kleur van de familie Sillari, waar Paulo onlangs een akkefietje mee had over het vervoeren van een bijzonder rijke en vooral mooie klant.

Vlak voordat hij zijn bewustzijn verliest, verschijnt er een brede grijns op zijn gezicht. Hij heeft altijd geweten dat hij pas zou sterven als hij het beste meisje van Servalle had gehad. Als hij toen niet had volhard in zijn wens haar te vervoeren, dan zou hij zich nu niet tien meter onder water bevinden, maar dan had hij haar ook nooit bemind.
Haar beeld verschijnt op zijn netvlies.
 Hij sterft gelukkig.

Miléna, het havenhoertje,
een Incagrad microverhaaltje van Astrid Lecomte.

 

De steeg in het havenkwartier baadde in de gloed van zachtroze verlichting. De werktijden van Miléna waren ’s avonds en ’s nachts. Het was soms lastig met vriendinnen af te spreken Desalniettemin zou ze niet willen ruilen met hen. Een stukje vrijheid, weelde, aandacht en natuurlijk de seks, dat zou ze nooit opgeven!

De mooie blondine stapte het luxe etablissement, De Děvka in. Een dikke dame met een flink decoleté op vrij zicht tentoongesteld, stond achter de bar.

‘Goedenavond madame de Gruby.’

‘Milena! Meisje, kom binnen, kom binnen. Hij zit al een uur op jou te wachten, blondynka.’

Milena lachte madame de Gruby hartelijk toe. ‘Ja, vanavond is zijn laatste avond. Morgen varen ze uit. De maand is omgevlogen en ik heb niets te klagen gehad.

Je zal hem wel gaan missen, meid.’ Uit een kast haalde Gruby de werkkleding en attributen van Miléna tevoorschijn. Met een harde klap zette ze een kistje op de bar.

De darovat, je giften, alles erin hè.’

‘Natuurlijk! Heb ik het ooit niet gedaan, soms?’ Miléna greep beledigd haar spullen bij elkaar en vertrok. Stomme dikke troela!

 

Een hoogpolig rood tapijt in de gang dempte haar voetstappen. Deze was niet geluiddicht te krijgen. Gekreun, gehijg en het zo nu en dan klappen van een zweep, waren de gebruikelijke nachtelijke geluiden. Milena was er aan gewend. Ze liep rustig door, de geuren en klanken in haar opnemend. voorbereiding op een goede werknacht.

 

 

In een minuscuul ragfijn blauw kleedje, stapte ze met een verleidelijke glimlach haar kamer binnen. De kaperskapitein die haar al een maand bezocht veerde op. Hij klapte verrukt in zijn handen.

Miléna! Mijn schone verleidster. Bij de ballen van Madhi - bij de aanroeping van zijn god hief hij zijn armen demonstratief in de lucht- wat zie je er weer verrukkelijk uit vanavond!

‘Heb je iets voor mij meegenomen?’ Ze boog diep voorover en gaf hem een kusje op zijn voorhoofd. De kapitein drukte zijn gezicht tussen haar borsten en snoof haar parfum op. Ze trapte hem zachtjes achterover op het bed en ging schrijlings op hem zitten.

‘Geef op piraat.’ Ze liefkoosde het enorme litteken op zijn wang. Blozend gaf hij haar een pakje.

‘Oh!’ Nu was het Miléna die verrukt keek. ‘Een ijspookhaar!’

Het kostbaarheid ging direct in het kistje. Deze maand was ze zeker nummer één! Geen hoer in Incagrad die hier tegen op kon. Helena zou trots op haar zijn.

De kaper greep plots haar arm stevig vast. Zijn gezicht stond ernstig.

‘Je moet met mij mee Miléna, je hebt het beloofd, ik heb je alles gegeven.’ Smekend keek de piraat het hoertje aan.

Natuurlijk had hij haar alles gegeven! Milena was niet de eerste de beste hoer van de havens.

‘Oh Shaitan, mijn kaperkapitein... Dramatisch wende ze haar hoofd af.

‘Je bent meer waard, mijn liefste. De gedachte dat er straks een andere vent jou..’

Genoeg nu !

Miléna kuste hem vol op de mond en scheurde zijn hemd open. Wat ze zag beviel haar allermeest. Ze hield van tanige kerels. Hoe meer littekens, hoe ruiger en dus des te beter.

Ze gaf de kapitein waar ze zelf al de hele avond zin in had, en hij lag al snel afgepeigerd te ronken. Zachtjes doorzocht ze zijn spullen, maar vond niks kostbaars meer.

Hij kreeg nog een klein kusje op zijn kruin, voordat ze vertrok. Op naar de volgende klant.

Lieve sukkel dat je er bent. Ja ze hield van haar werk!


Verloren en herwonnen
 een Servalle verhaal van Iris Versluis

Brizio haalde met een snelle beweging uit naar zijn tegenstander. Zijn korte zwaard suisde rakelings langs het oor van de gezette man. Brizio grijnsde. De man zette de aanval in. Hij stormde op Brizio af, zijn lange zwaard als een stormram naar voren gestoken. Met een soepele beweging ontweek Brizio het zwaard en gaf de man een flink klap op zijn rug. De man stortte neer op het dek, met als gevolg wilde schommelingen van de kleine boot waarop ze zich bevonden. Brizio greep de mast vast en stak met zijn andere hand zijn kromzwaard in de lucht.
  ‘De overwinning is nabij! Waar is mijn geliefde Allessandra?
   Het publiek begon luid te joelen toen Allessandra op een elegante boot het Aquanon Grande in kwam varen. De eerste klanken van het Brizio´s liefdeslied voor Allessandra galmden door het gigantische water theater.
   Brizio zong zijn lied vol overtuiging. Hij genoot van de reactie van het publiek, jonge meisjes staarden hem zwijmelend aan en bij de oudere dames kwamen overal zakdoekjes tevoorschijn. Aan het einde van het lied nam Brizio met een diepe buiging de staande ovatie in ontvangst.

Brizio bladerde door de stapel liefdesverklaringen die hij zoals altijd na iedere voorstelling ontving. Afzender Giorgia, afzender Giorgia, nog een van Giorgia. Hij zuchtte, die meid wist van geen ophouden. Hij gooide de stapel op zijn grimetafel, het beantwoorden kon wel tot morgen wachten. Vannacht was het tijd voor liefde en wijn.
   ‘Ga je mee naar de Rode Loper, een afzakkertje halen?’ Zijn tegenspeelster keek Brizio vragend aan.
   ‘Gaan jullie maar vast, ik kom later. Die knapperd daar wil graag een persoonlijke ontmoeting.’ Hij knipoogde terwijl hij in de richting wees van de jongeman die op hem stond te wachten. Zijn rijk geborduurde tuniek van groene stof verraadde zijn hoge afkomst.
   ‘Prima, zien we je later wel.’ Ze knipoogde terug. ‘Zo’n rijke vangst kun je natuurlijk niet laten wachten.’
   Brizio gebaarde naar de jongeman. ‘Kom, wees niet verlegen. Je huisintkvis kun je op het kussen naast die stoel neerleggen.’ Het groene beestje nestelde zich tevreden op het kussen terwijl Brizio de jongeman naar zich toetrok.

Brizio deed de deur van zijn kleedkamer op slot en groette de toneelmeester. Zijn voetstappen galmden door het bijna verlaten theater. De ziltige geur van het zeewater drong zijn neusgaten binnen. Het was een mooie voorstelling geweest, met een nog mooier einde. De rijke jongeman was tien minuten geleden vertrokken. Brizio wist niet eens zijn naam, maar dat gaf  ook niet. Dergelijke liefdes met jongemannen van goede afkomst konden maar beter geheim blijven. Heren van de rijke handelshuizen hielden niet van zonen die er relaties op na hielden met mannelijke acteurs ver beneden hun stand.
   De laatste zonnestralen van die dag wierpen een gouden gloed over de stad. Brizio kuierde op zijn gemak door de stille straten op weg naar de Rode Loper. Zijn adem stokte toen er iets rakelings langs zijn oor suisde. Een kreet weerklonk. Een dikke man viel voorover. Een pijl stak uit zijn rug. Rennende voetstappen klonken achter Brizio. Een man in het zwart gekleed rende hem voorbij, in zijn vlucht een boog voor de voeten van Brizio neergooiend. Brizio staarde een moment naar de boog. Wat was hier aan de hand? Hij vestigde zijn blik weer op de man. Deze probeerde overeind te krabbelen. De man keek hem opeens recht aan. Brizio keek weer naar de boog. Oh nee! Hij zette het op een lopen maar botste bijna direct tegen een agent aan.
   ‘Zo, een heterdaadje.’ De tentakels van de waakinktvis wikkelden zich strak rond Brizio’s lichaam.
   ‘Nee, dit is een misverstand, ik heb het alleen maar zien gebeuren. Iemand gooide die boog voor mijn voeten neer. Echt, u moet me geloven.’  Paniek overviel Brizio, dit kon toch niet waar zijn.
   ‘Natuurlijk jongeman, en ik ben de Matrone van Servalle. Kom mee, we gaan naar het bureau.’

 De cel waar Brizio in belande was warm en stonk naar zweet. Hij schopte tegen de tralies. ‘Auw!’ Die verdomde tralies gaven niet mee.
   ‘Wat een lekker ding is er nu in mijn cel beland.’ Brizio draaide zich om en keek recht in het blozende gezicht van een dikke vrouw. Ze was nog breder en vierkanter dan de gemiddelde stratenmaker in Servalle. ‘Kom maar bij mama.’ De vrouw likte aan haar lippen. Brizio drukte zich tegen de tralies aan, zover mogelijk weg van de graaiende vingers van de vrouw. Hij dacht koortsachtig na, hij was een acteur, hij kon zich hier wel uit praten.
   ‘Dat lijkt me geen goed idee mevrouw. Ik…uh’ Hij graaide naar het setje pillen in zijn zak. Hij had er altijd een paar bij zich. “Acteurs”pillen werden ze in de volksmond genoemd. Hij liet de pillen door zijn vingers glijden, vierkant en glad, tien minuten morsdood, klein en stroef, een onbedaarlijke huilbui, ovaalvormig,  drie uur lang een vreselijke ziekte. Mannagia! Waarom had hij juist nu geen Incognita pillen bij zich. Een uiterlijke verandering naar een lelijke oude man of puisterige puber zou hem bijzonder goed uitkomen. Die Incognita pillen waren ook zo verrekte duur. Hij haalde de ovaalvormige pil uit het zakje, dan maar een vreselijke ziekte. Hij wurmde zich langs de vrouw en draaide zijn hoofd weg terwijl hij de pil inslikte.
   ‘Zeg op, wat is er aan de hand?’ vroeg de vrouw.
   ‘Ik heb secumba, heel besmettelijk.’
   Ze deinsde een stukje naar achteren. secumba werd bij het minste lichamelijk contact overgedragen.
   Plots begon de vrouw te lachen. ‘Ik geloof er niks van, een groot acteur als jij met secumba? Laat me niet lachen, dat betekent het einde van carrière. Je bent een groentje, dat is het! Je voelt je ongemakkelijk met zoveel vrouwelijkheid in de buurt.’ Ter illustratie wiegde ze met haar enorme heupen. ‘Kom maar hoor, ik leer je de fijne kneepjes van het vak.’ Ze knipoogde en trok Brizio’s tuniek naar boven. Haar ogen werden groot toen ze de rode bulten op zijn buik zag. De pillen hadden hun werk goed gedaan.
   ‘Wat heb jij?’ klonk een vragende stem. Brizio en de vrouw draaiden zich beiden om naar de bewaker die plotseling voor de tralies was verschenen.
   Nog voordat Brizio kon antwoorden was de vrouw hem voor. ‘secumba, ongelofelijk, hè. Acteur Brizio Lorenzo heeft secumba.’
   De bewaker lachte, ‘een nieuwtje waar mijn vrouw van zal gaan smullen. Die doet niet liever dan roddelen over dit soort zaken.’
   Brizo greep in paniek de tralies vast. ‘Nee, alsjeblieft, houd het geheim, ik smeek je.’
   ‘En waarom zou ik dat doen jongen? Het spijt me voor je, maar ik ga mijn vrouw de avond van haar leven bezorgen.’ Met een brede grijns draaide de bewaker zich om en liep weg.
   Brizio zakte neer op het bankje in de cel. Zijn leven was in minder dan twee uur volledig verwoest. Als hij al uit deze cel kwam zou hij het lachertje van Servalle zijn. Zijn carrière naar de eeuwige jachtvelden, iedere hoop op liefde vervlogen.

Drie dagen en twee uur, zo lang had Brizio in de cel gezeten. Bij gebrek aan bewijs hadden ze hem vrijgelaten. Zodra hij twee stappen buiten had gezet was het gefluister achter zijn rug begonnen. De wijzende vingers, het gegrinnik, de quasi onschuldige blikken als hij terugstaarde. Na tien mislukte audities was de hoop dat hij ooit nog een rol zou krijgen in het Aquanon Grande ook voorgoed vervlogen. Zelfs voor ensemble rollen wilden ze hem niet meer. Waar had hij dit aan verdiend?
   Brizio deinsde achteruit toen er een mes vlak voor zijn voeten belandde.
   ‘Rustig maar!’ riep hij naar de woedend kijkende inktvis die tegenover hem stond. De grote, glazige ogen spraken boekdelen. Hou op met dat gepieker en speel! Brizio raapte het mes op en begon met de jongleer act die hij samen met Incto, zo noemde hij de inktvis, had ingestudeerd. Met het straattheater dat ze opvoerden verdiende Brizio nog een redelijke duit. En daarbij was, hoe triest ook, de gigantische inktvis zijn enige vriend.
   De zon was al bijna onder toen Brizio en Incto samen aan de haven zaten om hun schrale maaltijd te verorberen. De verdiensten waren niet slecht geweest, maar veel meer dan twee vissen voor Incto en een homp kaas met droog brood voor Brizio zat er niet in. 
   Brizio viel bijna voorover de haven in toen Incto wild met zijn armen begon te gebaren.
   ‘Wat heb jij?’ riep Brizio geërgerd uit. Hij staarde in de richting naar waar vier tentakels nu strak wezen. Een klein groen iets probeerde vooruit te komen in de golven. Brizio kneep zijn ogen tot spleetjes. Het leek wel een kleine, groene inktvis. Wat deed een gekleurde inktvis in dit gebied? Kleurinktvissen waren de huisdieren van de rijken, speciaal gefokt om te passen bij de huiskleuren van een handelsfamilie. Incto kon het geploeter van het beestje blijkbaar niet langer aanzien, want hij plonsde het water in. Niet veel later kwam hij weer boven met een klein, bibberend en druipnat groen inktvisje. Brizio vleide zijn jas over het beestje heen. Wat had hem bezield in de rivier te gaan zwemmen? Huisintkvisjes werden meestal schandelijk verwend en overal heen gedragen door hun baasjes en bazinnetjes.
    Brizio staarde een tijdje naar het inktvisje dat met zijn tentakels nu dankbaar Brizio’s jas om zich heentrok. Op de een of andere manier kwam de inktvis Brizio bekend voor. Natuurlijk! Hij stond abrupt op. De inktvis rolde van schrik naar achteren
   ‘Je bent de inktvis van mijn laatste liefde!’ Brizio herinnerde zich die avond maar al te goed, de jongen met zijn fijne groene kleding en groene ogen. Hij had een groen intkvisje bij zich gehad.
   ‘Je bent hier niet bij toeval terechtgekomen, is het niet?’ Brizio keek het beestje hoopvol aan.
   De inktvis stak een tentakel naar voren. Er zat een klein glazen flesje aan gebonden. Met trillende vingers maakte Brizio het flesje los en pielde het briefje eruit. Er rolde ook een rode pil uit het flesje. Hij begon te lezen.

Ik weet dat de roddels niet waar zijn. Gebruik de Incognita pil en onze huisinktvis goed. Wellicht zal ik je ooit weer in andere gedaante treffen.
Je liefde voor één nacht.

Brizio kon het niet geloven, dit was zijn kans! Incto zat hem vanaf een afstandje vragend aan te kijken, het groene inktvisje beschermend in zijn grote tentakels.
   Hij knielde voor Incto neer. ‘Drie dagen, Incto, drie dagen, dan zal alles veranderen.’

Het was gegaan zoals Brizio had verwacht. Twee dagen nadat Incto zich over het groene inktvisje had ontfermd waren de pamfletten overal verschenen. De familie Grenado was hun meest geliefde huisinktvis kwijt. De beloning voor de vinder bedroeg tweehonderd parelmoeren schelpen, genoeg voor een jaarvoorraad Incognita pillen. Genoeg voor een nieuwe identiteit voor Brizio.
   Brizio slikte de rode pil en bekeek zichzelf in een ton water. Zijn zwarte, krullende haar veranderde naar stijl en blond. Zijn bruine ogen verkleurden in een oogwenk naar grijs. Zijn jukbeenderen wat hoger, zijn neus wat groter, maar hij was nog steeds knap om te zien. Zijn onbekende liefde had een mooi uiterlijk voor hem uitgekozen.
   Met Incto en het groene inktvisje aan zijn zijde vertrok hij naar de familie Grenado. De vrouw des huizes deed zelf de deur open en barste direct in snikken uit. Nog geen vijf minuten later stond Brizio tweehonderd parelmoeren schelpen rijker weer buiten.
   ‘Kom Incto, er is vandaag een auditie. Het wordt tijd dat de mysterieuze blonde jongen, Benito Caravicia, zijn debuut gaat maken in het Aquanon Grande!’


Twee maanden later ergens bij een rijke familie in Servalle:
  
   ‘Ik begrijp het niet, Alonzo, Brizio kan toch niet zomaar verdwijnen. Hij was mijn alles, mijn grote liefde.’ Giorgia keek Alonzo met grote, vragende ogen aan.
   Alonzo legde liefkozend een arm om Giorgia schouders. ‘Ik begrijp het ook niet liefje. Maar probeer hem te vergeten, ik ben er toch?’
   Giorgia pakte zijn hand, ‘ja, je hebt misschien ook wel gelijk.’ Ze stond opeens resoluut op. ‘Laten we vanavond samen naar het Aquanon Grande gaan, jij en ik. Ik hoorde dat er een prachtig stuk speelt. Het wordt tijd dat ik verder ga met mijn leven.’
   ‘Wat een fantastisch idee. Ik haal je om zeven uur op vanavond.’
   Grijnzend liep Alonzo naar huis. Eindelijk was het hem gelukt. Giorgia, dochter van één van de rijkste families in Servalle was van hem. Bij de heilige Behemoth, wat had hij gebaald toen Giorgia als een blok voor die acteur Brizio was gevallen. Alonzo was in één klap van potentiële huwelijkskandidaat naar goede vriend gedegradeerd. Maar zijn slimme plan had niet beter kunnen werken. Brizio was niet alleen van moord beschuldigd, dat uilskuiken bleek ook nog secumba te hebben. En nu was Brizio van de aardbodem verdwenen, al twee maanden was er niets van hem vernomen. Het kon werkelijke niet mooier.

   ‘En liefje, vond je het mooi?’ Alonzo legde liefdevol een arm op Giorgia’s schouders. Gedurende heel de voorstelling had ze zitten stralen.
   ‘Het was prachtig. Dankjewel, nu kan ik Brizio vergeten. Hoe heb ik zo stom kunnen zijn…’ Ze staarde een moment dromerig voor zich uit.  ‘Benitio Caravicia is mijn ware liefde, ik voel het in heel mijn lichaam.’
   Alonzo staarde Giorgia ongelovig aan, dit kon toch niet waar zijn…
  

  
Het recht van de sterkste – Muhad Adir -
Jannie de Zeeuw

Muhad Adir was een schitterende stad met zijn wit bepleisterde huizen en gouden koepels. Maar deze oosterse Metropool kon Angélo niet langer bekoren. Simpelweg omdat De Winterrivier lokte.

Zijn halve leven had Angélo aan de lippen van zijn Grootvader gehangen en de reisverhalen van de oude man in zich opgenomen alsware ze van hemzelf. De andere helft van zijn leven bestond uit het eindeloze geklots van de rivier tegen de boeg van De Helena. Een goddelijker geluid bestond er voor hem niet. De reis - die pas acht jaar geleden in Servalle begonnen was - had Grootvader's verhalen nieuw leven ingeblazen en Angélo was vastberaden om De Winterrivier te temmen. Dan kon hij zijn belofte aan de oude man nakomen; zijn eigen kinderen en kleinkinderen verhalen over de wonderen en waanzin van De Winterrivier!


Zuba'ir spiedde vanaf zijn uitkijkpost naar het schip. Zo zag hij ze maar zelden. De Servallaanse zeelui liepen trots over het dek, zich bewust van alle ogen die hen nakeken. De vaandels waar het familiewapen op prijkte, wapperden onverschrokken in de wind terwijl de driemaster de haven uitvoer.

Een dag eerder had Zijne Koninklijke Godheid de Zevende Madhi van Muhad Adir, Zuba'ir ontboden. Er was een schip in de haven welke een uiterst interessante lading bezat. De Grote Madhi had zelfs een uitzonderlijk hoog bod gedaan voor het gekooide sneeuwspookmeisje, maar de kapitein zag het als een belediging om haar geschenk te verkopen. Geen enkel bod zou hoog genoeg zijn en daarmee basta.

Nu was het de taak van de edele Zuba'ir om De Helena in zijn geheel tot eigendom van de Grote Madhi te maken. Met een poel vol getrainde en aan magie onderworpen pinguïnhaaien moest dat geen probleem zijn. De Grote Madhi had niet voor niets om zijn diensten gevraagd.


Angélo zat in kleermakerszit op het dek en draaide zijn gezicht naar de zon. Met gesloten ogen genoot hij van de warmte op zijn huid. Hij voelde hoe het lied van Grootvader vanuit zijn diepste wezen opborrelde en zijn weg vond naar zijn lippen. Een stuk zalmtandivoor draaide tussen zijn vingers terwijl Angélo oude woorden prevelde. Zonder zijn ogen te openen, tastte hij naar zijn gereedschap. Kerf na kerf zag hij voor zijn geestesoog hoe het beeldje vorm kreeg. Een inktvis, natuurlijk, want die maakte hij het mooist.

Hij was nog maar net begonnen toen hij een schaduw over zijn gezicht voelde vallen. Geërgerd opende Angélo zijn ogen. Kapitein Giuseppina glimlachte naar hem.

'Ik zie dat je al weer aan de slag bent gegaan, Angélo. Mooi. Al jouw beeldjes zijn verkocht, weet je.'

'Hmmm.'

'Toch moet ik je vragen om je beeldhouwwerk nog even uit te stellen.'

De jongen fronste, maar zei niets. Angélo zag hoe de kapitein argwanend naar de haven keek, die inmiddels niet meer dan een speldenknop aan de horizon was.

'De reis loopt voorspoedig,' vervolgde ze. 'Iets tè voorspoedig naar mijn idee. Ik had meer tegenstand verwacht van ons aangekondigde vertrek.'

De vrouw keek Angélo nu indringend aan. 'Ik wil dat je bovendeks blijft en je ogen open houdt.'

Met een loom gebaar legde Angélo zijn spullen opzij. 'Goed moeder.'


Vijf zwartglanzende ruggen verschenen beurtelings aan het wateroppervlak. De pinguïnhaaien volgden het schip nu al anderhalve mijl zonder iets te doen. Maar nu werden de beesten wilder. Ze sprongen hoog op - alsof ze de situatie aan boord wilden inschatten - om vervolgens met een flinke klap in het water terug te vallen. Zo sierlijk als deze dertig meter lange beesten konden zijn, zo onbeholpen deden ze nu. En ze kwamen steeds dichterbij.

Angélo en de rest van de bemanning hadden hun positie ingenomen. Ze keken nat en wantrouwend naar de beesten, in afwachting van orders. Angélo wist dat de waterstraat vanaf hier smaller werd om vervolgens scherp zuidwaarts af te buigen. Een ideale plek voor moeilijkheden.


Zuba'ir stond op een klif, waar hij goed zicht had op de scherpe ronding van de rivier. Zijn armen hield hij gestrekt voor zich en met grootse bewegingen joeg hij zijn roofdieren hoog uit het water. Alles wat de glinsterende oogjes opvingen, werd in Zuba'irs geest opgeslagen. Hij koos zijn aanvalshoek.

Als waren ze één wezen, sprongen de drie pinguïnhaaien aan bakboordzijde hoog op uit het water. Maar deze keer niet zijdeling van het schip. Een enorme schok voer door de driemaster.

Bij de tweede schok hoorde zelfs Zuba'ir, die toch zeker een mijl verderop stond, het schip pijnlijk kraken. Zijn mondhoeken krulde. Er kon niet anders dan averij opgelopen zijn.

Twee harpoenen joegen dwars door de spetters, recht op de dichtstbijzijnde pinguïnhaai af. Maar de door magie beschermde dekveren werden nieteens geschampt. Ook een derde harpoen ketste af en verdween in de golven.


Aquarius, de waterbezweerder, had al lang geleden onder dwang van de kapitein, zijn onenigheden met Ventorian, de windbezweerder, laten varen. Ze hadden zelfs hun krachten gebundeld en waren inmiddels zeer bedreven in het oproepen van watermasten. Kolkend en briesend, rees er een enorme watermast op uit de rivier. Het kronkelde naar bakboord met als enige doel de aanvallers te verslinden.


Zuba'ir keek met ontzag naar de kolkende watermassa. Bezweerders die deze bijzondere combinatie van wind en water beheersten, zouden hem nog goed van pas komen.

De twee roofdieren aan stuurboordzijde reageerden op het bevel van hun meester en doken op de watermasten af. Met een reusachtige sprong botsten ze tegen de muur van water. Op dat moment schreeuwde Zuba'ir een krachtige spreuk en de kolon water spatte in miljoenen druppels uiteen.


Aquarius en Ventorian hadden geen tijd om zich te verbazen. Een derde dreun. Luid gekraak. Alom geschreeuw. De bezweerders haastten zich om een nieuwe watermast te maken, maar met schijnbaar hetzelfde gemak spatten de twee pinguïnhaaien erdoorheen.


Angélo was tot halverwege de middelste mast geklommen. Het gedrag van deze pinguïnhaaien was allerminst natuurlijk te noemen. En de watermasten hadden tot dan toe altijd met succes de roofdieren weten te verjagen. Angélo speurde de oevers af en zag zijn vermoedens bevestigd in de vorm van een wijdsgebarende figuur. Hij stond bovenaan een steile rotswand en had duidelijk zijn aandacht op hen gericht.

Kostbare seconden leken op eindeloze minuten. Eindelijk! De kapitein had Angélo zien zwaaien en ze seinde ten teken dat ze hem begrepen had.


Kapitein Giuseppina schreeuwde om boven het tumult uit te komen. ‘Ventorian, Aquarius,’ ze veegde het water uit haar gezicht. Ze zag hoe beide mannen houvast zochten aan de reling en haar vragend aankeken. ‘Daar, op die klif. Stuur er een watermast op af!’


Zuba’ir keek naar het tafereel beneden hem. Het zou niet lang meer duren voor hij zijn mannen het water op kon sturen. Grove stukken hout dreven al op de rivier en de eerste kisten lading zouden spoedig volgen. Tevreden veegde hij de zweetdruppels van zijn voorhoofd.

Maar zijn triomf was van korte duur. Voor hem rees een nieuwe watermast op en met oorverdovend geraas kwam het op Zuba’ir af. Zijn afwerende spreuken deden de kolk wankelen, maar niet versplinteren. Hij had de brute kracht van zijn roofdieren nodig, maar die bevonden zich te ver weg. Zuba’ir hief zijn arm en met een krachtige beweging stootte één van zijn pinguïnhaaien door het wateroppervlak, vlak naast De Helena.


Ongelooflijk,’ mompelde Angélo. Nog nooit had hij een pinguïnhaai zo hoog zien springen. De witte buik van het dier schuurde langs de reling die weerloos versplinterde. Het dek kraakte vervaarlijk onder het enorme gewicht van het roofdier. Het hapte wild om zich heen en vol afgrijzen zag Angélo hoe het beest een van de mannen verscheurde met zijn gezaagtande snavel. Pikzwarte ogen loerden rond en vonden doel. De nagels aan de zwemvliezen krasten over het dek en het dier glibberde op zijn buik richting de bezweerders.

Angélo liet zich uit de mast glijden en greep een ketting. In een poging de pinguïnhaai af te leiden, beukte hij met de ketting op de zwemvliezen. Maar dit leek het dier niet te hinderen.

Angélo schreeuwde naar Ventorian, welke zich voor een ogenblik naar het geweld achter hem omdraaide. Hij gilde. Op nog geen vijf passen afstand van hem hapte vlijmscherpe tanden rond in de lucht. Toen het dier een schrille krijs uitstootte, botste Ventorian van schrik tegen zijn collega.


Onafgebroken werd Zuba'ir gegeseld door de druppels van de watermast. Hij had de grootste moeite staande te blijven en was het zicht op het schip kwijt. Ineens zakte de watermast in elkaar en verdween in de rivier alsof het nooit had bestaan. De man schudde het water uit zijn haren en bekeek vlug de situatie. De onmiskenbare vorm van de pinguïnhaai kroop rond op het dek. Mooi.

Rustig aan liefje,’ gebood Zuba’ir zijn roofdier. In zijn geest doemde het beeld op van twee mannen die in paniek achteruit stommelden. Aan de kleding te zien waren het de bezweerders. ‘Jaag ze overboord, maar dood ze niet.’

De pinguïnhaai spande zijn spieren, maar werd overrompeld door de bemanning. Zuba'ir zag te laat hoe een net over het dier werd geworpen. Wind wervelde om zijn snavel en met een dikke ketting werd de bek voorgoed vastgesnoerd. Het beest spartelde om vrij te komen, maar daardoor kwam het verzwaarde net alleen maar strakker te zitten. De waterbezweerder boog een krachtige straal water naar het beest om zo de mannen te helpen. De pinguïnhaai werd onder luid geschreeuw van boord geduwd.

Zuba’ir vloekte luid. Deze klus begon uit de hand te lopen!


Angélo stond hijgend bij de gesneuvelde reling en zag hoe de pinguïnhaai naar de bodem zonk. De mannen om hem heen schreeuwden triomfantelijk, maar Angélo deelde hun vreugde niet. Er joegen nog vier van die monsters rond het schip en die zouden ze niet op eigen kracht kunnen uitschakelen. Angélo draaide zich om naar de brug en zag dat zijn moeder al naar hem stond te kijken. Ze knikte instemmend. Het was tijd. Deze ellende had lang genoeg geduurd!

Vanonder zijn shirt haalde Angélo een klein fluitje. Een hoog, voor mensenoren niet hoorbaar geluid sneed door lucht en water. Driemaal floot hij. Toen hief hij een gezang aan. Eeuwenoude magische woorden rolden over de rivier en zochten dansend hun weg. Ze paaiden en liefkoosden, smeekten en aanbeden.


Vier pinguïnhaaien zochten elkaar op, maakten vaart en stevenden nu op de gehavende kant van De Helena af.

Houd je gereed!’ werd er geschreeuwd over het dek.

De zwarte ruggen verdwenen onder water om meer vaart te maken. Voor een moment leek het doodstil te worden op de rivier. Niemand durfde geluid te maken en alle ogen waren op het golvende water gericht. Alleen het gezang van Angélo weerklonk. Oprecht en krachtig.

De gele snavels werden zichtbaar en met luid gespetter, sprongen de vier roofdieren uit het water. Iedereen zette zich schrap. Op dat moment steeg er een muur van water op, die de beesten uit hun koers dwongen. Een enorme Kraak rees op vanuit de diepten en slingerde zijn tentakels om de dichtstbijzijnde pinguïnhaai. Acht armen braken moeiteloos door de beschermende bezwering heen en vermorzelden het slachtoffer. De Kraak liet zijn prooi evensnel los als dat hij het gegrepen had. Pijlsnel zwom hij achter zijn tweede prooi aan.

Een luid gejuich steeg op van het schip, als om het machtige dier aan te moedigen.


Aquarius en Ventorian renden naar de brug, waar ze goed zicht hadden op de klif. Een nieuwe watermast raasde recht op de figuur af, die daar nog steeds met uitgestrekte armen stond. Eén pinguïnhaai deed nog een poging om door de watermast heen te springen, maar de Kraak plukte hem uit de lucht, nog voordat zijn snavel de eerste druppels hadden bereikt. De pinguïnhaai beet om zich heen en vond vlees. Met een ijselijk gefluit, verdwenen beide dieren onder water.


Zuba'ir was koppig en wilde zijn nederlaag niet toegeven. Te lang was hij blijven staan op de rots en de watermast had hem gegrepen. Hij tolde en tolde, wist niet meer van boven of beneden. Water en lucht beukten zijn lichaam en slechts op zeldzame momenten wist Zuba'ir kleine beetjes lucht naar binnen te zuigen. Het vocht wat ongewild mee zijn longen in kwam, bezorgde hem hoestbuien. Maar hoesten lukte niet. Het gevecht tussen inademen of uithoesten, maakte dat hij moest kokhalzen. In een wanhopige poging om uit de moordende greep los te komen, proestte hij een spreuk. Het tollen stopte abrupt en de watermast spuwde de man uit, alsof hij een bedorven narwal was.

Zuba'ir tuimelde enkele meters omlaag en kwam hard op de kiezels van de oever terecht. Hoestend en kokkend, draaide hij op zijn gekneusde zij. Het duizelde hem nog, maar het besef dat hij naar de bescherming van de struiken moest gaan, overheerste. Hij sleepte zijn lichaam weg van de rivier, zijn ontbijt vermengd met bloed op de kiezels achterlatend.


Angélo zocht ingespannen de rivier af. Een troebele substantie kleurde de voet van de watermast en Angélo had een bang vermoeden van welk waterwezen dat afkomstig was. Het ijselijke gefluit suisde nog na in zijn oren.

'Daar, bij de achtersteven!' De stem van de jonge matroos sloeg over van opwinding. Angélo rende over het dek om naar de aangewezen plek te kijken.

Nog geen twintig voet achter het schip verschenen grote luchtbellen. Direct daarop spatte de Kraak uit het water. Dreigend hief hij beurtelings zijn tentakels, welke vol bijtwonden zaten. Om hem heen zwommen de twee overgebleven pinguïnhaaien. Hun eens zo gladde verendek was flink gehavend. Ze vielen niet meer aan. Het gemis van opdrachten deed hen twijfelen en onrustig bleven ze rondzwemmen. Ook de Kraak leek af te wachtten, te zwak om beide jagers aan te vallen, te trots om te verdwijnen.

Angélo voelde zijn maag krampen toen de gapende wond op een van de tentakels even zichtbaar werd. Zijn Kraak. Zijn beschermer. Hij moest wat doen.

'De harpoenen, de netten! Doe dan iets!' schreeuwde Angélo. Al gauw suisde de eerste harpoen door de lucht. Andere mannen om hem heen stampten luid op het dek en schreeuwden en joelden en zwaaiden wild met hun armen.

De harpoen trof doel en boorde zich ditmaal diep in zijn slachtoffer. Hoewel de wond niet dodelijk was, krijste de pinguïnhaai onbedaarlijk. Toen ook de watermast hun kant op kwam, doken de pinguïnhaaien onder. De Kraak joeg hen nog enkele meters na, maar minderde al gauw vaart.


De handen van Angélo tintelden onder de aanraking van het weke vlees. De Kraak had op Angélo's verzoek een van zijn armen op het dek gelegd. Nu stond Angélo, samen met zijn moeder, rond de rauw opengereten wond. Angélo sloot zijn ogen en hief een gezang aan. Hij voelde hoe het zachte gefluit van zijn beschermer hem vergezelde in het diepste van zijn wezen. De magie van de Kraak stroomde door hem heen en gaven de oude woorden helende krachten. Beetje bij beetje sloot de wond zich.

Dankbaar boog Angélo zijn hoofd naar de Kraak, en iedereen die zich op het dek bevond volgende zijn voorbeeld. De enorme Kraak liet nog een keer zijn hoge gefluit horen en verdween toen weer naar de diepten van de rivier.


Vanuit het struikgewas had Zuba'ir het tafereel gadegeslagen. Vandaag was hij zijn meerdere tegengekomen. Grimmig besefte hij dat hij net zo goed had kunnen sterven, want in Muhad Adir wachtte hem geen ander lot.




Marysa's val – Servalle

Voor de derde keer loop ik een ronde door het appartement. Het moet mijn thuis worden. Alles moet kloppen vanavond.
Wel fijn dat Pafrem Margoni dit appartement voor me heeft geregeld. Ik moet er niet aan denken om het in mijn eigen appartement te… Nog even niet aan denken. Thuis. Ik moet me thuis voelen. Ik begin weer te ijsberen.
Lizan's aquarium is schoon. Te schoon? Zou het opvallen? Het lijkt nu of ik net vanmiddag haar aquarium heb schoongemaakt. Dat kan natuurlijk. Ja. Weer een beetje informatie voor mijn rol. Lizzy wordt door mij vertroeteld.
Haar ogen volgen me terwijl ik door de kamer banjer. Ze is verbazingwekkend snel aan mij gewend geraakt. Ik merk dat ik ook op haar gesteld ben, hoewel ik haar eerst griezelig vond met al die zuignappen op veel te veel armen. Zou ze honger hebben?
Ik loop naar de keuken en pak een paar kreeftjes uit de kast. Daar heeft ze vast wel zin in. Ze zwemt in ieder geval meteen naar de rand van haar bak en steekt al twee armen boven het water uit. Het lijkt of ze lacht. Misschien kan ik dat straks meenemen, als ik een anekdote nodig heb.
Oh, man, de zenuwen gieren door mijn buik. Het voelt alsof ik een premiere moet spelen, of misschien is het zelfs nog wel heftiger. Ik kijk naar de wijn, die al op tafel klaar staat. Je ziet er niks aan. Niks verraadt dat er… Nee, niet aan denken. Straks krijg ik rode vlekken van de stress. Oh nee! Dat kan nu al zo zijn! Ik ren naar de grote spiegel in de slaapkamer.
Ik zie er perfect uit. Geen rode vlekken. Prachtige jurk. Moet ik deze wel aanhouden? Is het niet zonde als ik deze nooit meer aan kan omdat hij me doet denken aan… Weer die zenuwen. Nee, kom op. Ik ben Marysa Eyelet, ik heb glansrollen gespeeld in alle theaters van Servalle, ik heb de grootsten tot huilen gebracht met mijn spel. Ik ben de minnares van Diamo Margoni, Pafrem van een van de grootste families van landelijk Servalle. Ik heb niets om bang voor te zijn. Ik kijk mezelf recht in de ogen. Koel. Berekenend. Geen gevoelens dan die die ik speel. Ik heb het onder controle.
Mijn haar zit goed. Mijn lippen doe ik straks, als hij er bijna is.
De gedachte aan hem stuurt visjes naar mijn onderbuik. Gio, de mooie man. Ik snap wel dat hij Alexa heeft afgewezen. Ze mag dan een Margoni zijn, ze is lelijk als de nacht en hij… Hij kan elke vrouw krijgen die hij maar hebben wil. En de vrouw zal blij zijn. Als ik denk aan wat hij doet onder de dekens… De visjes vermenigvuldigen zich in rap tempo. Misschien kan ik nog één keer…
Diamo hoeft het niet te weten. En als hij er wel achter komt, dan hoorde het gewoon bij mijn rol, toch? Oh, de gedachte om Gio nog een keer te mogen beminnen. Zijn zwarte haar, zijn slanke heupen, welgevormde borstspieren. Bij de heilige Behemoth, wat een verlies voor de wereld als ik doe wat ik moet doen.
Moet ik het doen? Wat als ik hem gewoon de waarheid vertel? Dan gaan we samen naar de Waterstraten, zoeken een boot met een vriendelijke kapitein die alle begrip heeft voor de situatie. Uiteraard in ruil voor een zakje parelmoer. Ik heb nog wat liggen onder mijn matras in mijn eigen appartement. Dan moeten we even terug naar landelijk Servalle en dan snel weer naar deze buurt. Oh, hoe heerlijk moet het zijn de liefde te bedrijven op de open zee. Gio in het licht van de zonsondergang, dat moet hemels zijn. 
Ergens slaat een klok en ik schrik op uit mijn dagdroom. Ik tel zes slagen, maar heb ik er een paar gemist? Ik kijk uit het raam. De zon kleurt langzaam koperrood. Nee toch zeker, zo laat al! Ik voel de uitwerking van mijn dromen nog in mijn onderbuik, maar het mag niet. Hij kan elk moment hier zijn.
Lizzy knaagt op een kreeftenstaart. Ik laat het maar zo. Dan heeft ze iets om mee te spelen.
De wijn staat op tafel. Ik zet de glazen ernaast nog een keer recht. Alsof ze dat twee keer geleden nog niet stonden. Ik haal de stop van de fles en ruik. Niks bijzonders. Goed dan. Dit moet het zijn. Hij mag komen, het doek mag op.
Ik kijk uit het raam. De gracht voor het huis is rustig. In een steegje aan de overkant zie ik een man staan. Hij komt me bekend voor. Houdt Diamo me in de gaten? Stik! Dan is het hem echt menens met Gio. Alexa moet kapot zijn geweest van zijn afwijzing. Er zijn maar weinig dingen die Diamo Margoni persoonlijk raken en zijn dochter Alexa is zijn grootste zwakte.
Een gondel komt voorvaren. Ik herken Gio meteen. Ongelooflijk, wat doet die man met mijn lichaam! Nog even en mijn knieën begeven het! Stel je niet aan, Marysa. Je bent nu Natalja.
De man in de steeg trekt zich terug in de schaduwen. Zeker weten een Margoni. Stik, stik, dubbel stik.
Ik tel de voetstappen op de trap. Ze zijn sneller dan gemiddeld, hij heeft er zin in. Een bescheiden klopje, hij weet dat ik op hem wacht.
'Gio,' zeg ik als ik de deur open en hem begroet. De blijdschap hoef ik niet te spelen. Ja, ik ga zeker aansturen op intiem contact.
'Natalja, mijn engel.' Hij ruikt heerlijk. Zijn donkere ogen verslinden me. Hij kust me en ik voel de school vissen weer door mijn schoot schieten. Ik wil hem! Ik druk me tegen hem aan, hij omvat mijn borst met zijn hand. Ik wil dat hij nooit meer ophoudt. Zijn andere hand vindt de eerste knoop van mijn jurk. Ik hou mijn adem in om hem meer ruimte te geven. Los. Heerlijk, ga door! Zijn tong verkent mijn hals. Mijn handen zoeken zijn huid. Ik geef me volledig aan hem over. Zaken komen later wel.

We liggen heerlijk naakt tussen de lakens. Ik voel zijn hartslag onder mijn wang. Zijn handen kroelen door mijn haar. Ik zie ons in mijn visioen, samen op een boot op de Winterrivier. Vreemde landen bezoeken. Verschoppelingen, maar wel samen.
Maar de man in de steeg. Hij zal niet de enige zijn. Ik ken Diamo. Hij weet alles. Hij komt overal achter. Misschien kijkt er nu wel iemand door een miniem gaatje in de muur naar ons, hoe we als geliefden tegen elkaar aan liggen.
Ik moet bedenken wat ik moet doen. Heb ik een keus? En wacht even, ga ik alles wat ik heb op het spel zetten voor Gio? Waar ben ik mee bezig? Met Diamo heb ik alles. Hij is rijk, zijn wil is wet. Ik zal alleen nog hoeven spelen voor mijn plezier. Afgelopen met de audities, het op een houtje bijten als er weinig animo is voor de show waar je je met hart en ziel in hebt gestort. Diamo geeft me zekerheid. Hij is geen Gio in bed, maar ik zou hem misschien wat trucjes kunnen leren. En met Diamo weet ik zeker dat ik lang en gelukkig zal leven, vrij van alle zorgen.
'Ik ga me even opfrissen,' zeg ik zachtjes en loop naar de badkamer. 'Eh… Er is wijn in de woonkamer, als je zin hebt…?'
Ik kijk mezelf aan in de spiegel. Ja, ik maak de juiste keuze. Ik laat water over mijn handen lopen, droog ze af en fatsoeneer mijn haar een beetje. Ergens hangt nog een zweempje twijfel. Als ik Gio de waarheid vertel, zouden we dan niet toch? Maar nee. Diamo weet alles. Diamo zal me vinden, opjagen als een dier en doden op een manier die minder genadig is dan gif in de wijn.
Ik hoor Gio in de woonkamer, glas tinkelt. Ik weet het niet, ik kan toch niet… Nee, ik kan niets anders dan doen wat ik moet doen. Ik kijk mezelf nog een keer aan.
'Marysa, ik hoop dat je jezelf nog aan kunt kijken na vanavond,' mompel ik.
Gio zit op de bank. Mijn blik vliegt meteen naar de wijn. Twee glazen, eentje vol, de andere bijna leeg. Stik! Ik heb geen keus meer. Ik probeer naar hem te glimlachen, maar mijn lippen weigeren dienst. Hij zit vreemd, een soort van onderuitgezakt. Gaat het zo snel?
'Wat is er met me? Wat heb je gedaan?'
'Niets,' zeg ik. Ik zet mijn onschuldige en tegelijkertijd bezorgde blik op. Ik heb me nog nooit zo afschuwelijk gevoeld bij het acteren. 'Voel je je niet goed?'
'Nee, ik voel me afschuwelijk. Hoe… De wijn… Hij proefde vreemd.'
Ik zie zijn adem moeilijker gaan. Ik ben misselijk, ik voel hoe spijt mijn ingewanden verteert. Dit gevoel moet ik onthouden, dit kan ik nog gebruiken. Lizzy spettert met water. Ik zie het wel, maar het dringt niet door.
Er parelt een zweetdruppel op zijn voorhoofd. Voordat ik het besef zit ik naast hem, en veeg  de druppel weg met een teder gebaar.
Ik heb gedaan wat ik moest doen. Diamo zal trots op me zijn. Toch voel ik een brok in mijn keel. Gio, ik wil je niet kwijt. Kan ik hem bij me houden? Is er een manier om hem nog te redden? Hoe lang duurt het voordat het gif de genadeslag geeft, is er nog tijd?
Ik voel een steek in mijn onderbuik. Ik kijk verrast omlaag. Gio houdt een glanzend voorwerp vast. Een mes. Het lemmet is verdwenen. In mijn buik. Ik kijk hem verschrikt aan. Hij kijkt grimmig terug. Nee, zo mag hij niet kijken. Gio, jij moet mooi blijven!
De pijn wordt erger. Ik voel warmte zich verspreiden over mijn benen. Vochtig. Ik bloed. Gio kijkt me aan alsof ik afval ben. Nee, Gio, het was niet mijn… Alsjeblieft…
'Jullie plannetje is mislukt,' fluistert hij. Zijn gezicht is zo dicht bij dat van mij, maar ik voel geen enkele opwinding meer. Hij haat me. Dat steekt erger dan het mes. Ik wil zo veel tegen hem zeggen, maar ik kan geen geluid uit mijn keel krijgen.
'Jammer voor je dat ik de wijn niet echt heb opgedronken. Arme. lelijke Alexa Margoni. Ze houdt zo veel van mij dat ze me nu zelfs redt uit de wraak van haar familie.'
Alexa? Maar hoe…
'Ze schreef me wat jij en de Pafrem van plan waren. Dus heb ik mijn eigen plannetje getrokken. Je maakte het me erg makkelijk, Natalja. Of moet ik Marysa zeggen?'
Ik merk dat ik mijn grip op de realiteit verlies. Een zwart gat wacht op mij, ik glij er steeds iets dieper in weg.
'Wel jammer. Je bent een lekker diertje. Ben blij dat ik je nog eens mocht bezitten.'
Nog één keer zijn ogen zien. Ik zie verloren dromen. Ik val.


Zilvertands onbehagen – Muhad Adir - Okke


‘Effendi! Bij mij krijgt u de beste prijs voor uw handelswaar!’ De vingers van de koopman trokken aan de mouwen van Korst Zilvertand, kapitein van de Profijt. De zon brandde op Zilvertands schouders; het lawaai in de bazaar was oorverdovend, de geur van rottend schapenvlees was overweldigend en dit was al de zevende koopman die hem aanklampte. Maar Zilvertand onderdrukte de neiging om de vingers weg te slaan; met een korzelig gemoed is het slecht zakendoen. Hij was verantwoordelijk voor de Profijt, haar lading en zijn gezin aan boord. De bazaar van Muhad Adir bood ongekende mogelijkheden voor een oplettend koopman. Hij zou Muhad Adir pas verlaten zodra zijn schip een profijtelijke lading in haar ruim had. Het zou onvergeeflijk zijn als hij zich door de hitte of lokale gebruiken van de wijs zou laten brengen.
Zuchtend hield Zilvertand zijn pas in en monsterde de koopman die hem had aangesproken. Hij zag een breedgeschouderde gestalte met een donkere huidskleur en overdadig behaarde armen, een onmiskenbaar teken van een avontuurtje van één van zijn voorouders met een bergtrol. De ogen van de koopman leken ook niet geheel menselijk: ze stonden abnormaal scheef en glansden met een gouden gloed in het diffuse licht van de bazaar. Een grijns onthulde enkel bruine stompjes, niet het ivoor wat Zilvertand verwachtte.
‘Koopman, zeg mij waarom ik zaken met u zou willen doen,’ mompelde Zilvertand.
‘Ach, effendi, uw wijsheid evenaart die van de Mahdi!’ De koopman danste van vreugde, trok Zilvertand zijn winkel in en duwde hem in een stapel kussens. ‘Mijn naam is Ibrahim El Boudifi.’ De koopman maakte een diepe buiging. ‘Achterneef in de vierde graad van onze wijze Mahdi en beëdigd chroniqueur van zijn dynastie. Uit tijdverdrijf bezit ik tevens een bescheiden nering: El Boudifi Import & Export.’ Op zijn vingerknip bracht een meisje een dienblad met een zilveren theepot en kunstig bewerkte glazen. ‘Eerst drinken wij thee, dan praten wij over handel.’
Het was koel in de winkel en Zilvertand was blij dat hij het stof van de bazaar weg kon spoelen. Zo onopvallend mogelijk liet hij zijn blikken door de winkel dwalen terwijl El Boudifi de voordelen van het zakendoen met zijn handelshuis opsomde. Zilvertand zag wandtapijten, koperwerk, door bergtrollen uitgehakte standbeelden, allerhande textiel en een vitrine wiens inhoud het zonlicht in blauwe stralen weerspiegelde. Zilvertand vermoedde dat de vitrine adamantium tentoonstelde. Hij likte zijn lippen. Als hij met El Boudifi’s koopwaar heelhuids Utgard wist te bereiken, dan kon hij eindelijk het laadvermogen van de Profijt vergroten. Wellicht zelfs een eigen kajuit voor zijn dochter Karen laten timmeren, die ze tegen die tijd zeker nodig zou hebben.
‘Effendi, de conclusie is onvermijdelijk: ik geef u de best mogelijke tegenwaarde voor uw lading, dus u heeft vandaag uw fortuin gemaakt! Wat een bijzonder gelukkig toeval dat wij elkaar tegenkwamen!’ El Boudifi gooide vier klonten suiker in zijn glas, roerde even en slurpte zijn thee naar binnen. Zilvertand maakte dankbaar gebruik van de onderbreking.
‘El Boudifi, mijn naam is Korst Zilvertand…’
‘Kapitein van de Profijt, een schip met een laadvermogen van driehonderd ton, gisteravond afgemeerd,’ onderbrak de koopman hem. El Boudifi grijnsde. ‘Informatie is voor een handelaar van levensbelang, effendi. Wat mijn informanten niet weten is de aard van uw lading. Mag ik u vragen wat u te bieden heeft?’
    ‘IJzerhout, medicinale kruiden, bitternoten en mastodonthuiden.’ Zilvertand was blij dat El Boudifi ter zake kwam, want het halfmenselijke gezicht boezemde weinig vertrouwen in. Drie uur lang marchandeerde hij met El Boudifi over de tegenwaarde van zijn lading. Zilvertand had zijn zinnen gezet op een mengeling van textiel, tapijten, koperwerk en vooral het kostbare adamantium, dat hoegenaamd geen laadruimte innam. El Boudifi bood waardig tegenstand, maar gaandeweg bekroop Zilvertand een gevoel van onbehagen.
    Het ging wel erg gemakkelijk.
    Tijdens eerdere gesprekken die ochtend waren de kooplieden van Muhad Adir met gespeelde woede opgesprongen over Zilvertands vermeende inhaligheid. Ze hadden krokodillentranen geplengd over zijn hardvochtigheid. Ze hadden hun kinderen uit de keuken gesleurd en dramatisch gewezen op hun magere lijfjes.
    Maar El Boudifi grijnsde alleen maar. Natuurlijk bood hij eerst belachelijk weinig voor Zilvertands lading, maar zijn bod steeg gestaag en uiteindelijk bood de koopman een partij handelswaar die in waarde drie keer Zilvertands lading ontsteeg. Zilvertand was bepaald geen groentje, maar hij had moeite om zijn gezicht in de plooi te houden. Deze transactie zou hem schatrijk maken. Hij zou een compleet nieuw schip kunnen laten bouwen, met twee keer zo grote ruimen, kanonnen op de boeg en een dubbele kajuit voor zijn dochter. Hij zou krankzinnig zijn als hij deze handel af zou wijzen op basis van een onbestemd gevoel. Zilvertand kon een schaterlach ternauwernood onderdrukken toen hij El Boudifi de hand schudde. Hij herlas de leveringsvoorwaarden drie keer. Hij vergeleek het waarmerk met de kopieën die zijn grootvader hem had gegeven. En uiteindelijk ondertekende Zilvertand met een wild kloppend hart de contracten.

Aan boord keerde zijn onbehagen terug; de transactie was simpelweg te mooi om waar te zijn. Zilvertand lag de hele nacht te woelen op zijn brits. Maar de havenmeester kraste de volgende ochtend nonchalant zijn goedkeuring onder het papierwerk en dokwerkers brachten een nieuwe lading die precies bestond uit hetgeen hij met El Boudifi overeen was gekomen. Op de terugweg droegen de mannen zijn oude lading naar een pakhuis aan de kade. Een gewapend escorte bracht een kist die veertig pond adamantium bevatte. Alles was in orde. De transactie verliep vlekkeloos.
    Zilvertand greep zijn dochter en danste een wilde pavane met haar op het halfdek. Karen keek hem eerst bevreemd aan, want sinds de dood van mama was haar vader slechts zelden vrolijk. Maar toen giechelde ze en gooide haar benen hoog in de lucht, zoals het hoorde. 
    Die avond serveerde de scheepskok een feestmaal aan dek, waar de voltallige bemanning onder de sterrenhemel genoot van oude wijnen uit Servalle, gekonfijte haringen met pastinaakcompote en zoete drilpudding als dessert. Zilvertand had zelfs muzikanten aan boord bevolen, die een melancholiek maar wondermooi geluid wisten te ontworstelen aan hun luit, castagnetten en trommel. De stemming steeg tot een hoogtepunt toen Zilvertand aankondigde dat ze de volgende ochtend zouden uitvaren, want de processie die ’s middags langs de kade was getrokken had het moreel tot een dieptepunt doen dalen: in antwoord op Zilvertands vraag had een touwslager onthuld dat de processie het maandelijkse offer naar de Mahdi bracht. En inderdaad hoorde de bemanning het gehuil van een baby uit een rijkversierde wagen ten hemel schreien.

De reis over Winterrivier verliep voorspoedig: de wind was gunstig, Karen maakte onbezorgd grapjes met de matrozen die ze normaal nurks behandelde en Zilvertand verheugde zich onafgebroken over de rijke lading in de buik van de Profijt.
Het zeil aan de horizon bracht eerst een frons van zorg op Zilvertands voorhoofd; een ontmoeting op de wateren van Winterrivier was slechts zelden onbekommerd en vaak gevaarlijk. Turend door zijn kristalkijker ontwaarde hij een hoge reling en een langsscheeps tuig dat zorgde voor een hoge snelheid. Hij huiverde. Die romp zou heel goed enkele pelotons piraten kunnen bevatten. Maar toen hij een figuur op het halfdek zag wuiven liet hij zijn adem met een trillende zucht ontsnappen.
    ‘Van der Decken, zet koers naar dat schip.’ Zijn stuurman fronste, maar brulde de benodigde bevelen naar de bemanning. De Profijt kraakte ontevreden toen ze oploefde. Zilvertand voelde zich genoodzaakt om uitleg te geven. ‘Koopman El Boudifi zwaait naar ons vanaf dat schip. Wellicht hebben we een procedure overgeslagen. Misschien komt hij ons een afscheidscadeau brengen. We zijn immers overhaast vertrokken. Ik wil in ieder geval geen moeilijkheden veroorzaken; we zijn nog steeds in de wateren van de Mahdi en volgens de overlevering heeft hij stroomafwaarts enkele oorlogsgaleien liggen.’
    Het onbekende schip stootte zachtjes tegen de stootwillen van de Profijt toen de matrozen beide schepen aan elkaar vastlegden. El Boudifi plaatste eigenhandig een loopplank op de reling en sprong met zijn eeuwige grijns aan boord van de Profijt.
    ‘Gegroet, effendi Zilvertand!’ De blik waarmee de koopman langdurig Karen bekeek beviel Zilvertand allerminst. Dat halfmenselijke monster had het recht niet om zijn dochter te bekijken. De goudgele ogen richtten zich uiteindelijk op Zilvertand.
    ‘Heil, koopman. Wat verschaft ons de eer van uw bezoek?’ Zilvertand deed zijn best vriendelijk te klinken, maar de onderbreking van zijn reis deed hem bijna stampvoeten van ongeduld.
    ‘Helaas zijn onze zaken niet geheel afgerond, vrees ik.’ El Boudifi klonk verontschuldigend, maar zijn grijns sprak dit tegen. Verbijsterd zag Zilvertand hoe El Boudifi een bootsmansfluit onder zijn hemd vandaan haalde en erop blies. Het geluid toverde een horde mannen tevoorschijn uit het tussendek van El Boudifi’s schip, die schreeuwend het dek van de Profijt op slingerden en met ponjaards de matrozen doorstaken. Karen gilde toen El Boudifi haar beetgreep en met zijn monsterlijke armen tegen zich aandrukte. Zilvertand doorbrak zijn verlamming en sprong met een verstikte kreet naar voren, maar een piraat stak een stuk staal in zijn rug.
    Korst Zilvertand lag bloedend op zijn dek en moest toezien hoe de piraten zijn bemanningsleden overboord slingerden. El Boudifi schaterde toen Karen hem in zijn gezicht probeerde te krabben; stompte haar toen in haar buik zodat ze dubbel sloeg. De koopman boog zich naar Zilvertand.
    ‘Effendi, het zal u genoegen doen te horen dat ik de charmes van uw dochter niet zal verspillen. Ik wens u een goede reis naar het Meer van Lamorah! Goede kans dat wij elkaar daar zullen weerzien.’
    Ruwe knuisten grepen zijn polsen en enkels, slingerden hem overboord. Terwijl Zilvertand zonk en een ruwe huid langs zijn been voelde schuren vroeg hij zich mismoedig af waarom hij niet naar zijn onbehagen had geluisterd.


De diepste verbintenis – Incagrad - Marie-José Jansen

Samora drukte het roze dekentje tegen zich aan en snoof de geur op. Vandaag was Santina’s eerste verjaardag. Tijd om te vieren kregen ze niet, want over een uur kwam de patrones haar al ophalen. Een jaar lang had Samora zelf voor haar dochtertje mogen zorgen, maar vandaag zou ze haar af moeten staan aan het patronaat, voor altijd. Santina zou opgroeien tot een mooie, jonge vrouw. Het patronaat zou haar opleiden tot het beste van haar kunnen en ze zou een waardevolle plek innemen in de maatschappij. Op een dag zou ze misschien zelf een dochter krijgen. Ze zou ook een jaar van haar baby mogen genieten en haar daarna verliezen.
Vanuit de box strekte Santina haar kleine handjes naar Samora uit. Haar lieve gezichtje lichtte op toen Samora naar haar toe kwam en haar uit de box haalde. Schatergelach vulde de lucht. Samora’s moederhart brak. Ze kon het niet! Ze drukte haar gezicht tegen haar dochters warme lijfje en barstte in snikken uit. Santina friemelde aan haar gezicht en trok aan haar krullen. De schaterlach had plaats gemaakt voor verbaasde geluidjes.
‘Je bent mijn kindje, mijn kleine meisje! Je bent toch veel te klein om al bij mama weg te gaan,je hebt mij toch nog nodig?’
Ze kuste de graaiende handjes en dacht koortsachtig na. Wat kon ze doen? Ze had altijd in de functionaliteit van de maatschappij geloofd. Helena had voor een welvarende, prettige stad gezorgd. Samora had nooit enige reden gehad om aan de matriarch of het Boek te twijfelen, maar ze had ook nog nooit eerder een kind gehad.
De bittere waarheid deed Samora duizelen en ze moest gaan zitten. Nog nooit had ze zoveel van iemand gehouden als van dit kleine meisje. Ze zou voor haar door het vuur gaan. Ze zou een draak doden om haar te beschermen. Ze geloofde niet in het hebben van bezittingen, maar haar kind afgeven aan de maatschappij druiste tegen haar moedergevoelens in.
‘Je bent van mij,’ fluisterde ze terwijl ze opstond. Ze maakte een bundeltje van wat kleren en het roze dekentje en liep met Santina op haar heup naar buiten. ‘Ik weet nog niet precies waar we heen gaan, kleintje, maar mama laat je niet alleen. Wij blijven altijd samen.’
Met een vastberaden trek om haar mond liep Samora richting het havengebied. Misschien kon ze aanmonsteren op een schip voordat iemand merkte dat ze weg waren. Misschien lukt het haar om de stad te verlaten. Ze moest het proberen. Voor haar dochter.

De zachte hand – Incagrad - Marie-José Jansen

Het immense plein stond vol mensen, maar je kon er een speld horen vallen. Alle ogen waren gericht op Helena, de geliefde matriarch. Met gesloten ogen leunde ze achterover in haar troon. Ook Marca hield haar adem in. Het ging haar door merg en been de geliefde moeder zo te kwellen met haar vreemde verzoek, maar ze moest het proberen. Helena zou het begrijpen, Helena hield van haar. Helena hield van hen allemaal. Zij was de heilige rots in de branding, de God op aarde voor iedere inwoner van Incagrad. Alles zou goed komen, Helena zou helpen, ze wist het zeker.
Helena opende langzaam haar ogen. Met een zucht stond ze op en streek haar gewaad glad. Bevallig schreed ze naar de marmeren trappen. Marca kreeg een brok in haar keel. Dikke tranen biggelden langs haar wangen. Toen Helena de trappen afdaalde was het alsof de zon zelf naar haar toe kwam. Nog voordat de matriarch haar in haar armen nam, barstte Marca in snikken uit.
‘Moedertje, het spijt me zo!’
Helena glimlachte minzaam. ‘Arm kind, wanhoop niet, iedereen twijfelt wel eens over zijn of haar roeping. Niemand neemt je dat kwalijk. Ik stuur je een week naar de Kluis van Modessa om even tot jezelf te komen en daarna ga je gewoon weer aan het werk.’
Er liep een rilling langs Marca’s rug. Haar verzoek werd genegeerd. Helena’s glimlach klonk niet door in haar stem. Marca keek op en kromp ineen onder de ijskoude blik van haar geliefde matriarch.
‘Maar, Moedertje..,’ begon ze.
‘Zwijg! Ik heb beslist. Je gaat naar Modessa en ik wil er verder niets meer over horen,’siste Helena Marca toe. ‘Er zijn geen andere opties, tenzij..’
De onuitgesproken woorden bleven in de lucht hangen. Helena keek veelbetekenend naar de Deur van nooit meer terugkomen. Marca volgde haar blik naar de rode deur. Iedereen die door die deur de tempel betrad, keerde nooit meer terug. Wilde Helena haar wegsturen?
‘Nee, Moedertje, alstublieft!’
‘De Kluis van Modessa, kind. Denk maar eens na over al het goede wat je mocht ontvangen en de ondankbaarheid die je getoond hebt. Denk maar eens na over wat jij kunt doen om dit weer goed te maken.’
Marca viel op haar knieën en kuste Helena’s handen. ‘Vergeef me, Moedertje, ik zal nadenken. Ik zal leren en goed doen. Ik zal het Boek opnieuw bestuderen en dan kom ik U eer bewijzen.’
Marca mediteerde een week in de Kluis van Modessa. Daarna keerde ze terug naar haar werkplek aan de brouwmachine. Ze sprak nooit meer over ontwerpen en verbrandde al haar tekeningen. De matriarch had altijd gelijk, dat wist iedereen, maar Marca wou dat ze zich wat gelukkiger kon voelen in het lot dat Helena voor haar beschikt had.

Welkom, vreemdeling – Incagrad - Marie-José Jansen

De hal waar alle vreemdelingen werden opgevangen was kaal en grauw. Als dit representatief voor Incagrad was, dan had Kali al spijt dat hij was gekomen. Moira drukte zich tegen hem aan.
‘Ik heb het koud. Ik dacht dat het hier zo’n paradijs was? De pracht uit de verhalen van grootvader heb ik nog niet echt gezien. We worden behandeld als criminelen.’
Kali sloeg een arm om zijn vrouw heen. ‘Het komt wel goed, lieve. Ze zijn gewoon voorzichtig met vreemden. Dat moet ook wel als ze hun welvaart in stand willen houden. Als de douane straks terugkomt met onze papieren, dan mogen we de stad in. Je zult de pracht wel zien. Ik ga direct werk en een woning zoeken. We krijgen hier een goed leven, let maar eens op.’
Hij hoopte dat hij gelijk had. Zijn vrouw geruststellen was één, maar hij moest het ook nog waar zien te maken. Wat als het allemaal tegenviel? Ze hadden geen geld meer om verder te reizen. Ze zaten vast in Incagrad en dat beviel hem allerminst.
Uren later kwam er eindelijk iemand terug met hun papieren.  Kali stootte Moira aan. Ze stonden op. De vrouw overhandigde Kali en Moira hun papieren en glimlachte vriendelijk.
‘Het is in orde, hoor. Jullie mogen je hier vestigen. Alles wordt momenteel in gereedheid gebracht. Ik wens jullie een mooi leven in Incagrad.’ De vrouw hief haar linkerhand en raakte haar voorhoofd aan. ‘Heil, Helena! Ik roep u aan, heilige matriarch. Bescherm uw nieuwe kinderen en zorg dat het hen aan niets ontbreekt.’
Moira keek Kali aan en trok een grimas. Hij knipoogde en kon een glimlach niet onderdrukken. De vrouw leek wat geërgerd, maar herstelde zich snel.
‘Komt u maar alvast met mij mee, mevrouw. Mag ik Moira zeggen? Ik begeleid u naar uw patrones.’ Ze keek Kali aan met een spottend lachje. ‘Voor u komt zo meteen iemand.’
Voordat Kali begreep wat er gebeurde nam de vrouw Moira bij de arm en liep met haar naar buiten. Moira wilde tegensputteren, maar de vrouw zei iets wat haar blijkbaar gerust stelde. Bij de deur draaide ze zich om en zwaaide vrolijk naar Kali. Hij bleef verbouwereerd achter.
‘Ze zullen wel wat vrouwendingen moeten regelen,’ lachte hij. Niemand lachte terug.

Enkele dagen later begreep Kali dat hij niet met zijn vrouw herenigd zou worden. Ze was weggebracht naar het noordelijke deel van de stad voor haar opleiding. Hij mocht daar niet naar toe. Hij zou haar maar afleiden. Met hem erbij kon ze haar roeping niet vinden. Haar patrones had besloten dat zij afzonderlijk van elkaar hun roeping moesten vinden en als die roepingen elkaar raakten kon het best zijn dat ze elkaar weer eens terug zouden zien, maar die kans was klein. Hun huwelijk was niet geldig in Incagrad. De bewoners waren wars van dergelijke verbintenissen. Iedereen stelde zijn of haar leven in dienst van de maatschappij. De matriarch, de patronessen en dat vervloekte boek van Lenin de quetsal bepaalden nu zijn leven. Kali vloekte zachtjes. Hij was maar een man. Daar werd minder moeite voor gedaan. Een patrones zou haar tijd niet verdoen om hem bij de hand te nemen. Hij werd te werk gesteld bij een grote loods waar stoomtreinen gerepareerd werden. Moira was voorbestemd voor verfijndere dingen. Hij zou haar nooit meer zien als hij niet zelf het heft in handen nam.

DOORGEEFVERHALEN:

Afgezaagd – Servalle door Marieke-Tais-Alex

In een regenton naast de villa van de Matron tuurde een glinsterend oog door een kier. Rico zat er nu al twee uur en had tot dan toe alleen een magere kat gespot, die hij de stuipen op het lijf had gejaagd door een golf water uit de ton te duwen. Op de stoep was er al niets meer van te zien; de zon was fanatiek vandaag. Rico vond het geen straf om tot zijn borst in het water te zitten. Af en toe dompelde hij zich zelfs met opzet even onder.
Maar nu was hij volledig gericht op zijn taak. Er was beweging in de tuin. Een man in een lange, zwarte jas was naar buiten gestapt en stond nu een paar meter voor de voordeur te wachten. Een tweede zou hem spoedig vergezellen, daarna zou de Matron zelf zijn huis verlaten.
Rico duwde langzaam het deksel van de ton en kaatste met een spiegeltje zonnestralen naar Mezzio, die verscholen zat in de bosjes verderop. Mezzio seinde terug, boodschap begrepen.
De tweede man verscheen, Rico zag zijn zwaard glinsteren in de zon. De man keek knorrig om zich heen. Rico slaakte bijna een kreet toen hij de man herkende. Hij wist zijn naam niet, maar zijn gezicht stond voor eeuwig in Rico's geheugen gegrift, sinds de avond dat deze man zijn vader, moeder en broer vermoordde. Hij schonk de man een hatelijke blik, liet het deksel weer langzaam zakken en keek verder door de kier. Een druppel gleed langs zijn slaap naar beneden. Was het gewoon water of was het zweet?
De Matron stapte naar buiten. Hij was dik als een varken en had ook dezelfde kleur. Zijn zwarte krullen waren perfect gekapt en zijn wandelstok had een knop van goud.
De drie mannen bleven staan bij de voordeur. Rico voelde een naar gevoel in zijn onderbuik opkomen. Wat was er mis? Waarom liepen ze niet weg?
Op dat moment kwam er een vierde persoon naar buiten. Rico's hart begon sneller te slaan. Het was een meisje, iets jonger dan hij, met glanzend zwart haar dat in lange pijpenkrullen over haar schouders hing. Ze was de mooiste die hij ooit had gezien, in een laag uitgesneden jurkje en laarzen met hoge hakken.
Het meisje knuffelde de Matron, stak vrolijk haar arm door de zijne en babbelde opgewekt terwijl ze naar het tuinhek toe liepen. Op de een af andere manier maakte haar dat alleen nog maar begeerlijker. Als ze van zo'n onmens kon houden, dan toch zeker ook van hem?
Rico voelde zijn hart bonzen in zijn keel en probeerde meer te zien door die kleine spleet tussen de planken. Hij baalde dat hij de regenton precies zo had neergezet dat hij vrijwel alleen de voordeur kon bekijken. Hij duwde zijn oog tegen de kier en kronkelde zich in allerlei bochten, maar ondanks dat zijn ogen pijn deden van het scheel kijken, verloor hij het gezelschap uit het oog. En hij wist wat er daar op hen wachtte. De Pafrem had het zelfs tot in de bloederigste details uitgetekend.
Ze zouden de drie eikenbomen passeren, eikenbomen die beslist geen eikenbomen waren en alleen maar op eikenbomen leken. Volgens sommige sjamanen waren ze afkomstig uit het Meer van Lamoral waar ze de zielen van zondaar in stukken reten en hun wortels met hun ectoplastisch bloed besprenkelden. Nog zeven stappen, zes. Hij schoot uit de ton omhoog als een hongerige pinguïnhaai die naar een zeemeeuw hapt. ' Kijk uit! Terug! Die bomen…'
 De dichtstbijzijnde eik zwiepte een tak omlaag die ineens klauwen had gegroeid en doorstak de eerste man en de Matron. De tak rechtte zich en ze zaten vastgestoken als twee spartelende kakkerlakken op een saté-prikker. De tweede man smeet het meisje opzij en de tak van de andere eik siste op een handbreedte over hen heen. De  hees zich overeind en hief een kruis op. Of nee , geen kruis, de Hamer van Thor en gesneden uit de teennagel van een gigant. ' Wees hout, stijf als hout!' brulde ij, 'zo bevelen de draken des hemels.'
 De eiken verstarden en hij kon hun angst voelen, hun afkerr van het ijs. Ze zouden zich na dat bevel niet meer durven bewegen en er alles aan doen om voor ordinaire eik door te gaan.
'Gaat het, papa?' zei het meisje en Rico's maag trok samen. Erger dan dit kon het int, geen tragedie kon het zich veroorloven zo'n smerig dilemma neer te zetten: de vader van zijn ware geliefde was de slachter van Rico's familie.
Rico stond in dubio. Wat moest hij doen? De jongedame, aan wie hij zijn hart verpand had, was niet zomaar iemand. Zij was de dochter van de Slachter. Haar hart veroveren zou niet gemakkelijk zijn. Tenzij…
Terwijl de boomtakken zwierden, zwaaiden en trokken, haalde hij zijn knapzak tevoorschijn en dook erin. Enkele oogknipperingen was hij weg van de wereld zoals een ieder die kende. Toen was hij terug, een lawaaiig, knetterend en ronkend gevaarte in zijn handen.
'Ooit zul je deze zaag, afkomstig uit een diep verleden van onze familie, kunnen gebruiken,'  had zijn vader, Lamorah hebben zijn ziel en zaligheid, gezegd. En nu, terwijl het afschrikwekkende ding rookwolken uitbraakte, stormde hij op de betoverde bomen af. Takken, zijn kant op zwiepend werden met een enkele houw kapot gezaagd en vielen stuiptrekkend op de grond. Hij sprong er overheen, zwaaide met het knetterende gevaarte en grijnsde zijn tanden bloot. Dit ging zoveel gemakkelijker dan hij had gedacht.
Net zo snel als ijstrollen wegrennen voor een dolle hond, zo weken de bomen achteruit toen Rico ze met de kettingzaag naderde. Het meisje staarde hem slechts in bewondering aan, terwijl hij boom na boom velde en zich er niet om bekommerde waar deze gevelde kolossen terechtkwamen. Huizen sprongen uit elkaar als miniaturen gemaakt van luciferhoutjes.
' Ik kom je redden, mijn liefste,'  brulde hij, overmoedig door hetgeen hij had weten te werkstelligen. Hij keek haar met een liefdevolle blik aan, voelde toen hoe iets hem op de schouder tikte en draaide zich vliegensvlug om. De behekste boom zou hem niet te pakken krijgen, hij…
De zaag rukte aan de kleding van De Slachter van zijn familie, hakte en beet in het lichaam van de man die verantwoordelijk was voor de dood van zijn familie. Hij huiverde en genoot tegelijk. Dit was te mooi om waar te zijn.
En dat was het. Want ineens werd de hemel duister en hoorde hij het klapwieken van draken. De wachters kwamen hen halen. Ze hadden verboden machines gebruikt en daarop stond de doodstraf.
'Geef me een kus en we zullen altijd samen zijn,'  riep hij naar het meisje. Omdat ze hem niet hoorde, drukte hij de zaag uit en propte deze snel in zijn knapzak. 'Kus me!'
En ze deed het. Geluk overspoelde hem. Ze stierven terwijl de draken zich op hen wierpen. De machtige wezens zochten naar zijn knapzak, hapten ernaar en vraten hen natuurlijk ook op.

Ergens, hoog in het niemandsland waar zelfs de driestste reiziger nimmer is geweest, deed een draak zijn behoefte. Het vroor vast in de eeuwige gletsjers van de hooglanden. Rico en zijn geliefde gingen nooit meer uit elkaar.

Als een Behemoth in de branding – Servalle -Iris – Simone – Marieke

Conzalo krabde op zijn hoofd. Hij had de Behemoth al zo vaak uit benarde situaties moeten redden, maar de situatie waarin het beest zich nu had gemanoeuvreerd was werkelijk ongelofelijk. Het belangrijkste handelskanaal van Servalle was volledig versperd. Sterke versmallingen voor en achter de Behemoth maakten dat het beest geen kant meer op kon. Conzalo draaide zich om richting de stad. De rij met schepen die achter de Behemoth vast was gelopen groeide gestaag. De wind voerde flarden aan van geschreeuw, gevloek en getier.
   ‘Als je dat beest niet binnen nu en drie uur hebt verwijderd laat ik hem in mootjes hakken! En jou erbij!’ Het rood aangelopen gezicht van Del Mercaci, de havenmeester, versperde Conzalo’s uitzicht.
    ‘Uiteraard, havenmeester.’ En hoe ga je dat voor elkaar krijgen, blaaskaak. ‘Mag ik u er wel aan herinneren dat de Behemoth onze waterwegen schoon graast.’
   ‘Dan kan me niet schelen!’ Rode vlekken ontsierden nu Del Mercaci’s nek. ‘Besef jij wel hoeveel geld ik nu misloop. Geen enkel schip kan de haven in of uit.’
   Conzalo zuchtte onhoorbaar. ‘Ik doe mijn uiterste best, meester.’ Het was dan Del Mercaci hem goed betaalde, maar anders…  
   Conzalo begon pijnzend langs de Behemoth te lopen. De wandeling was minimaal 5 km, dus hij had rustig de tijd om een nieuw plan te bedenken. Liters gladmakende zalf en een horde aan sleepboten hadden niet mogen baten. Het arme dier was alleen maar vaster komen te zitten. Hij keek omhoog, in de hoop in de lucht zijn oplossing te vinden. Energiedraken tuimelden speels door de lucht. Alsof ze spotten met de situatie waarin de Behemoth en Conzalo zich bevonden. De kracht van de draken zou Conzalo goed van pas komen maar helaas had een draak zich nog nooit om het lot van wie dan ook in Servalle bekommerd.

Al van verre zag hij dat de opstopping het uitje van de maand was geworden voor de bejaarde en volgevreten bewoners van Servalle. Ze waren uit hun schepen getakeld en op de kades aan komen rollen, blubberen en lubberen. Verveeld, haast apathisch, staarden ze naar het uitgeputte dier dat futloos wurmde en zware, klaaglijke kreten uitstootte.
God, wat haatte hij deze stad, de opgeblazen havenmeester, en al zijn bewoners. Het liefst zou hij de hele boel tot puin reduceren. Hij dacht aan het doosje dat hij jaren geleden gevonden had en dat nu in de zwaarstbewaakte ruimte van de stad stond. Bij het zien ervan waren zijn leermeesters jammerend op de grond neergevallen. Niemand, hadden ze hem verteld, wist precies hoe het werkte, maar de overlevering had wel geleerd dat dit soort voorwerpen bij verkeerd gebruik een draak zou aantrekken.
Conzalo beet grimmig zijn lippen op elkaar. Waarom ook niet? De Behemoth was toch al ten dode opgeschreven. Het beest langzaam in mootjes laten hakken was onmenselijk, en als die ramptoeristen een flitsend einde wilden, dan konden ze dat krijgen!

‘Het is belangrijk.’ De opwinding maakte het moeilijk om nors en een tikje ongeïnteresseerd te klinken, zoals je normaal tegen wachters zou praten. Wat een woest plan, wat een gevaar! Stel je voor dat het hem zou lukken! Hoewel er best doden zouden kunnen vallen – eigenlijk was het onwaarschijnlijker dat er geen doden zouden vallen – voelde het alsof hij op het punt stond de beste grap ooit uit te halen. Zijn mondhoeken krulden toen de wachters zijn papieren en verklaring accepteerden en hem voorgingen in het fort waar allerlei kostbaarheden en gevaarlijke spullen waren opgeslagen. Na wat een eindeloze wandeling met een eindeloze reeks afgesloten deuren leek, kwamen ze in de kerker waar de technologie lag opgeslagen.

De ruimte was groter dan hij zich ooit had voorgesteld. Overal lag troep, het leek of alle meuk van heel het universum hier verzameld was. Conzalo voelde de euforie van het binnenkomen als kaars doven. Hij had nog maar twee uur, en hij moest binnen die tijd ook nog terug naar de Behemoth.
‘Wat moet jij hier?’ Een bejaard mannetje kwam tussen de hopen puin tevoorschijn.
‘Je bent niet een van de wachters. En je stinkt.’
Het mannetje liep krom van ouderdom en zijn tanden waren zwart als de rugveren van een pinguïnhaai. In zijn handen hield hij een vreemd voorwerp, een soort lange buis met een verdikking op het eind. Hij richtte het uiteinde van de buis op Conzalo en kneep een van zijn ogen dicht. Conzalo had geen idee wat die buis voor moest stellen, maar goed kon het niet zijn.
‘Nou, vertel op, stinkerd, wat kom je hier doen. En geen kletskoek, dit ding maakt je dood voor je een kik kunt geven.’ Om zijn woorden kracht bij te zetten richtte hij de buis op de deur achter Conzalo en trok aan een klein metalen dingetje onder aan de buis. Een oorverdovende knal schalde door de ruimte, er was een flits en een projectiel suisde langs Conzalo’s oor, hij voelde de warmte ervan zelfs op zijn hoofdhuid. In de deur zat een enorm gat dat licht narookte.
‘Oké, moet je luisteren,’ zei Conzalo.
‘U,’ zei de oude man.
‘Goed. Luistert u alstublieft. Mijn Behemoth is vastgelopen in het handelskanaal en als ik hem er niet binnen twee uur uit krijg, dan hakt de havenmeester hem in mootjes. En mij erbij.’
‘Wat een stompzinnig verhaal,’ zei de oude man en hij richtte de knalbuis weer op Conzalo.
‘Nee, meneer! Het is echt de waarheid! Die Behemoth is mijn vriend! Hij mag dan wel zo stom zijn als het achterend van een narwal, hij verdient het niet om in mootjes gehakt te worden. Ik wilde… Ik wilde hem een genadige dood geven.’
‘Hoe dacht je hier dan een dood te vinden?’ zei de oude man. Hij klonk nog steeds op z’n minst wantrouwig.
‘Ik heb ooit een klein, zwart doosje gevonden. Iedereen was toen in rep en roer, schreeuwde over draken oproepen enzo. Ik dacht, als ik dat doosje kan gebruiken… Dan kan ik mijn Behemoth een genadige dood geven. Een drakendood is beter dan een hakkende dood.’
‘Jij doet dit voor een beest?’ De oude man keek Conzalo aan met een blik die het midden hield tussen ongeloof en walging. ‘Nou, dat vind ik best nobel,’ zei hij. ‘Ik geloof je en ik zal je helpen. Maar ik heb een beter idee dan draken inschakelen. Zwart doosje, pfff. Kom, stinkie.’

De oude man bleek nog behoorlijk fit voor zijn leeftijd en klom zonder al te veel moeite de vele trappen op, waar Conzalo op een gegeven moment toch echt kramp in zijn kuiten kreeg.
‘Niet stilstaan, niet stilstaan, we moeten dat beest redden, toch?’ De oude man liep door en Conzalo mopperde inwendig. Toch vertrouwde hij er op een of andere manier op dat deze rare oude man met zijn knalbuis iets voor hem kon betekenen.
De oude man nam hem mee naar een enorm huis in Servalle, dat Conzalo herkende als de academie voor water- en luchtsturing. Verschillende jonge mensen zaten bij elkaar in een salon op de eerste verdieping. Ze waren verdiept in papieren en geschrijf, sommigen merkten niet eens dat de oude man en Conzalo binnen waren gekomen totdat een van de meisjes begon te roepen.
‘Meester Luomo! We dachten dat u dood-’
‘Nu even niet Miri,’ zei de oude man. ‘Ik heb alle water- en luchtstuurders nodig om deze klus te klaren.’
‘Maar ons huiswerk…’ begon een klein mannetje met een enorme bril, die zijn papieren dicht tegen zijn borst gedrukt hield.
‘Rot op met je huiswerk, het is tijd voor wat praktijk!’ riep de oude man, die blijkbaar Luomo heette. ‘Dit is even belangrijker dan theorie. En laat je Meesters maar aan mij over, ik lust ze rauw.’ Luomo blikte even op zijn knalbuis. De meeste studenten hadden hun werk neergelegd en stonden klaar om te vertrekken, alleen brillemans stond nog in dubio.
‘Hoppa, Stinkie, breng ons naar dat beest van je.’

Zo kwam het dat een legertje water- en luchtstuurdstudenten naar de haven trok, onder leiding van Conzalo en Meester Luomo. Havenmeester Mercaci stond al klaar met zijn eigen legertje soldaten, allemaal bewapend met enorme hakzwaarden.
‘Stop!’ bulderde Conzalo. ‘Meester Luomo, doe uw ding! Behemothje, het komt goed.’ Hij schonk Mercaci een vuile blik terwijl Luomo zijn studenten opstelde.
De Behemoth kronkelde van schrik toen hij plotseling door het water werd opgetild en op een luchtgolf naar een breder deel van de Winterrivier werd verplaatst. Met een plons kwam hij weer in het water terecht, waarbij iedereen op de kade kletsnat werd. Conzalo rende meteen naar hem toe. De Behemoth maakte tevreden geluidjes nu hij niet meer vast zat in het kanaal en begon al aan een waterplant te knabbelen.
‘Zo doen we dat,’ gromde Luomo.
‘Meester Luomo, komt u nu weer terug?’ vroeg Miri.
‘Nee,’ zei de oude man. ‘Jullie nieuwe meesters zijn zo stom als het achterwerk van een narwal. Theorie, m’n reet. Ik ga terug naar de archieven.’
Hij zette zijn knalbuis tegen zijn schouder en wandelde weg. De groep studenten taaide ook langzaam af, het kleine mannetje met de bril liep het snelst van iedereen.
Havenmeester Mercaci stuurde zijn mannen met donderende bevelen naar huis en keek Conzalo nog één keer nijdig aan voordat ook hij, doorweekt en gefrustreerd, wegliep.
Conzalo grinnikte, keek hem na en keek toen liefdevol naar zijn Behemoth, die een paar slierten zeewier naar binnen zoog.
‘Volgende keer stelen we zijn laarzen en vreten ze op,’ zei hij tegen het beest.

Een koude ontvangst – Mahid Adir

El Boudifi zag Zilvertand in de golven van Winterrivier verdwijnen.  Bloed kolkte omhoog toen de pinguïnhaaien het lichaam van de kapitein aan stukken scheurden. Het meisje gilde en worstelde om aan El Boudifi’s greep te ontsnappen, totdat hij haar met de knop van zijn ponjaard op haar hoofd sloeg. Haar lichaam verslapte, zodat hij haar gemakkelijk aan boord van zijn feloek kon dragen.
    ‘Zeil de Profijt en onze feloek naar onze schuilplaats, bootsman. Ik ga mezelf liederlijk verpozen,’ schreeuwde hij over zijn schouder voordat hij de deur naar zijn kajuit opentrapte. Zijn piraten juichten hem toe. Inmiddels hadden ze de drankvoorraad van de Profijt ontdekt en hier en daar zag El Boudifi al enkele opgeblazen gezichten. Hij maakte geen bezwaar: de Profijt was een rijke buit en zolang bemanning zich met drank onledig hield zouden ze hem niet storen. De dochter van Zilvertand was een onverwachte bonus die het bergtrollenbloed in zijn aderen deed koken. Hij wilde zich verlustigen aan haar lichaam voordat hij haar aan zijn verwanten in de bergen zou verkopen.
    Hij wierp haar op zijn bed en scheurde haar jurk van haar lichaam. Het hulpeloze meisjeslichaam liet zijn bloed naar zijn onderlichaam stroomde, maar met een uiterste krachtsinspanning wist hij zich te beheersen, zette zich in zijn kapiteinsstoel en schonk zich een roemer wijn in. Het schenden van een bewusteloos lichaam had hem vroeger opgewonden, maar tegenwoordig stelde hij zijn genot zo lang mogelijk uit.

    ‘Waar ben ik?’ Kreunde het meisje. Ze wreef in haar ogen en keek de kamer rond. Een tijdje staarde ze El Boudifi alleen maar aan.
    ‘Dag lekker hapje.’
    ‘Klootzak.’ De toon van het meisje was koel, bijna te koel. Dat verbaasde El Boudifi, meestal gingen zijn buitgemaakte meisjes panisch schreeuwen of huilen. ‘Wat ga je met me doen?’ Weer die zakelijke toon. El Boudifi kreeg er de kriebels van. Hij was er nog niet helemaal uit of die kriebels hem nu meer of minder opwonden. Hij kroop op het bed naar haar toe. Hij knoopte zijn broek langzaam los en haalde zijn omvangrijke geslacht, een erfenis van zijn trollenvader, tevoorschijn.
    Het meisje bekeek nu haar eigen naakte lichaam. ‘Och ja, ik had het ook wel kunnen raden natuurlijk.’ Ze ging met gespreide benen voor hem liggen. ‘Kom maar op dan.’
   De pose die ze aannam was allerminst opwindend. El Boudifi knoopte zijn broek weer dicht. Zo was er niets aan, hij had niet voor niets gewacht tot ze weer bij kennis was. Hij wilde een lichaam dat zich uit alle macht tegen hem verzette. Dat schreeuwde laat me gaan, laat me gaan. En dan langzaam maar zeker zou hij dat lichaam breken, tot het helemaal van hem was. 
    ‘Waarom verzet je je niet?’ vroeg hij domweg.
    ‘Waarom zou ik, El Boudifi?’
    Op die vraag had El Boudifi eigenlijk ook geen antwoord. Hij begon door de kamer te ijsberen. Er moest toch wel een manier zijn om wat meer pit in dat kind te krijgen.
    ‘Je wilt een spannende nacht, toch?’ Ze keek hem nu vragend aan.
    El Boudifi knikte.   
    ‘Luister dan naar mijn voorstel.’

Hijgend plofte El Boudifi neer op de kussens. Dit had hij nog nooit meegemaakt. Een vechtend lichaam maar dan zonder het panische geschreeuw of gehuil. Het meisje kriebelde door zijn borsthaar. ‘Was lekker he?’
    El Boudifi knikte alleen maar, hij kon nog geen adem vinden om een woord uit te brengen.
    ‘Zo en nu ga je mij je schip laten zien.’
    El Boudifi knikte weer. Wat een dom wicht was het geweest. Als tegenprestatie wilde ze alleen maar een rondleiding op het schip.

Onwennig liet hij de laadruimte zien en legde op haar verzoek uit dat zijn mannen zich daar voor een aanval verstopten. Hij voelde zijn lid met ieder woord verder verschrompelen. Een rondleiding, netjes uitleggen waar alles voor was… Hoe diep kon een piraat met trollenbloed zinken? Met afhangende schouders volgde hij het meisje naar het dek.
‘Waar is dit voor?’ Met een ijskoud gezicht pakte ze een touw beet waar een haak aan zat.
‘Daarmee enteren we schepen,’ hoorde El Boudifi zichzelf zeggen. ‘Kijk, je slingert hem door de lucht, en dan blijft-ie hangen achter…’
Zijn zin stierf hakkelend weg toen een van zijn bemanningsleden achter hem stond.
‘Wat is dit?’
‘Niks.’ Bij alle kielpokken! Waarom lukte het hem niet om dat schurftig stuk vreten af te blaffen, zoals het hoorde?
‘Hé, mannen!’ brulde de jonge piraat.
‘Nee, nee, laat nou maar…’
‘Bek dicht, impotente ouwe zeeslak!’
Met veel kabaal vulde het dek zich met aangeschoten tot ladderzat tuig. El Boudifi voelde het zweet prikkelend opkomen.
‘Onze grote leider weet niet meer hoe hij met vrouwen om moet gaan. Ik denk dat hij ook niet meer weet hoe hij de boel hier moet bestieren.’
‘Ja!’ riep een ander. ‘De drank is ook bijna op!’ Ontzette kreten volgden, snel aanzwellend tot woedend geschreeuw.
‘Bewijs maar dat je een vent bent!’ riep iemand.
‘Ja, maar…’
‘Zie je wel! Hij heeft zijn tijd gehad! Nu is het mijn beurt.’ De grootste piraat stapte naar voren en trok zijn zwaard.
‘Lieverd, wat gaat die meneer doen? Kun je dat even uitleggen, hoort dit bij de rondleiding die je me gaf? Of doen we weer alsof, net als in je kajuit?’ vroeg de dochter van Zilvertand zoetjes.
‘Ohhhhh!’ riepen de piraten ontzet. El Boudifi’s aanvaller zette door en ramde met kracht het zwaard in diens buik.
‘Als je een kerel geweest was, zou ik je uit je lijden verlossen,’ zei hij en spuwde in El Boudifi’s gezicht. Het enige waar El Boudifi nog aan kon denken, was hoe hij kon voorkomen dat hij in zijn eigen bloed verdronk. Zilvertands dochter gaf hem een ijskoude kus op zijn voorhoofd.
‘Dat is voor mijn vader, schatje.’ Het laatste wat hij zag, was hoe ze ongehinderd over de reling sprong.

De prins en de scheepsbouwer -Muhad Adhir door Jannie, Diana en Astrid

 ‘We hebben toch een probleem,’ zei de Eerste Scheepsbouwer, Halil Mufaro. Hij zat peinzend over zijn tekeningen gebogen en nam niet de moeite om Prins Madhimed aan te kijken. De oudste zoon van de Grote Madhi keek over zijn schouder mee. ‘De ijswinden zijn te ruw om te bedwingen. Er zijn ook periodes van luwte die weken kunnen aanhouden. Wat wij nodig hebben is een constante aandrijving voor het schip.’
     ‘Ik heb daar uiteraard ook over nagedacht, mijn waarde. Ik denk zelfs dat ik een oplossing heb. Het is een gewaagd iets, maar ach, daar draaien wij onze hand niet voor om.’
     Halil schonk nu zijn volledige aandacht aan de Prins. Wat kon deze knaap nu verzonnen hebben, dat hij – met zijn drie decennia aan ervaring – over het hoofd gezien zou hebben? ‘U maakt mij nieuwsgierig, heer.’
     ‘IJsdraken,’ zei de Prins zelfingenomen. ‘In de oude schatkamers van het paleis heb ik een aantal inheemse voorwerpen gevonden. Zwarte blokken, met kleine witte tekens erop. Ik had er één meegenomen naar de binnenplaats om het voorwerp beter te bekijken. Toen ik aan één van de vreemde knoppen draaide, kwam er een krakend geluid uit. Ik kreeg geen kans deze ontdekking met iemand te delen, want in een mum van tijd stortte een IJsdraak zich op de zwarte doos. Gele flitsen knetterden om mij heen en de IJsdraak verslond ze allemaal.’
De Prins keek zijn Eerste Scheepsbouwer aan, maar deze leek de bedoeling niet helemaal te begrijpen. Prins Madhimed onderdrukte een zucht en vervolgde veelbetekenend: ‘Ik heb nog wel een dozijn van die zwarte blokken.’
    ‘Mooi! Inderdaad een prima oplossing,’ knikte Halil. ‘Ik stel voor dat u de uitwerking hiervan coördineert.’

De Eerste Scheepsbouwer liet zich naar huis dragen. Tussen de gordijntjes van de stoel door staarde hij naar het dok, dat kleiner werd in het ritme van de stappen van de dragers. Zijn bouw, zijn project, zijn trots: het grootste ijsschip ooit gebouwd. En nu zou die blaaskaak van een prins een knetterende oplossing hebben bedacht voor de aandrijving. Mismoedig liet hij de gordijntjes terugvallen. Als het de prins lukte, zou zijn naam verbonden worden aan het schip, in plaats van Halils. Al zijn werk, voor niets! Jarenlange voorbereidingen, tekeningen, denkwerk, in één klap weggevaagd omdat zo’n jonge snuiter flitsen uit een zwart blokje wist te krijgen. Hij moest iets doen, maar wat?
    ‘Om te beginnen, lieve schat, stop je met piekeren. Laat je verwennen in de Hammam. Neem een massage, vraag een paar meisjes mee en stort je op hen.’ Wat klonk ze verstandig, zijn gesluierde. Halil Mufaro boog zich naar haar over. Haar ogen waren achter het gaas van haar burka nauwelijks te zien.  Wist zij welke uitwerking ze op hem had als ze zo sprak?
    ‘Ik wil die meisjes niet. Ik wil jou,’ sprak hij grimmig. Hij knielde voor haar neer en legde zijn handen om haar enkel. ‘Trek je burka op!’ beval hij.
    Ze lagen samen, zijn gesluierde en hij. Er was nog steeds geen oplossing voor de aandrijving, maar Halils gemoed was nu wel kalm.
    ‘Ik weet zeker dat je met een oplossing komt,’ zei ze. Haar gezicht was als altijd bedekt. ‘Wat had je eigenlijk zelf voor de aandrijving bedacht?’
    ‘Zeilen.’
    ‘Dat is toch prima?’
    ‘Op zich wel. Maar de winden zijn onbetrouwbaar.’
    ‘En het systeem dat de Prins heeft bedacht? Is dat betrouwbaarder?’
    Het duurde even. Vast door zijn orgasme. Opeens viel het hem in.
    ‘Ik heb een idee!’
    Ze kwam overeind en streelde hem. ‘Ik wist het. Ik wist dat je iets zou bedenken,’ zei ze. En haar woorden en handen maakten hem weer fier.

Laat hem een demonstratie geven, had ze gezegd. De volgende morgen had de garde van de Prins zich verzameld rond het IJsschip. Smalend stond de jonge snuiter naast zijn kostbare waar. De eerste zoon van de Madhi liep met een theatrale tred om de zwarte doos heen. Halil Mufaro verborg zijn woede.
‘Prins, toe, laat ons niet langer in spanning.’
Prins Madhimed pakte een van de zwarte dingen op en draaide aan een knop.
De menigte hield zijn adem in.
Niets.
Verwoed draaide de prins aan een andere knop. Hoe de knaap ook draaide en trok, de hemel bleef blauw. Geen draak te bekennen. Woedend gooide Madhimed de zwarte doos op de grond. Het ding begon te kraken en te piepen. Een zachte zoem, dat al snel aanzwelde tot een oorverdovende herrie. De mensen hielden hun handen voor hun oren en vrouwen gilden. Uit het niets dook er een draak naar beneden en verzwolg het zwarte lawaaiding. Zo snel als het beest was verschenen, zo snel was hij ook weer verdwenen. De zwarte doos lag als gesmolten ijs naast het schip. Wonderwel was het schip zes meter vooruit geschoven. Zes meter! Mufaro was onder de indruk. Misschien was het toch niet zo’n gek idee. Het moest echter wel beter uitgewerkt worden. Want op deze manier was het oncontroleerbaar. De eerste Scheepsbouwer
zocht de prins. Madhi’s zoon had dichtbij de aanval van de draak gestaan. Te dichtbij bleek. Een hoopje as en enkele botten bleek alles wat er nog over was van het Koninklijke bloed.
Halil Mufaro grijnsde, hij was verlost van die bemoeial en hij had direct zeggenschap over die magische dozen. Het zou wat mannen kosten, maar dan had hij de oplossing gevonden voor de aandrijving. De Madhi zou hem rijkelijk belonen!



Haar als zilveren maanlicht – Utgard – Simone – Marieke - Tais

Bjorn schepte zuchtend het ijs over de reuzenpinguïnoogballen. Waarom had hij niet beter naar zijn vader geluisterd? Nu stond hij hier een rotklus te klaren, terwijl hij ook warm bij de haard van het atelier had kunnen zitten.
Aan de andere kant: het was nu even bikkelen, maar de buit was binnen. Grijnzend dacht hij aan de kleine schat. Wat een plezier zou hij eraan kunnen beleven – en geven. Het plukje sneeuwspookhaar was een lieve duit waard, maar verkopen zou hij het niet. Nooit. Hij droeg het veilig in een leren zakje onder zijn kleding. De grote vraag was echter, welk meisje hij zou willen verleiden.
‘Hallo…’ Hij liet de schep bijna uit zijn handen vallen toen hij de hoge stem ineens achter zich hoorde.
‘Eh, hoi,’ Hij voelde het bloed naar zijn hoofd stromen. Was het toeval dat er een beeldschoon meisje de grot in was gelopen toen hij net zat te dagdromen? Hij had de verhalen over sneeuwspoken goed in zijn oren geknoopt.
‘Heb je een taakstraf?’
‘Eh, ja…’ Zo stoer als zijn avontuur en bijbehorende straf eerst hadden geklonken, zo stom vond hij het nu overkomen: niet meer dan een kwajongensstreek, die dankzij zijn rijke papa niet eens al te zwaar werd bestraft.
Het meisje kuierde met wiegende heupen door de grot en wierp hem een zwoele blik toe.
‘Heb je ook een sneeuwspook gezien?’
‘Ja,’ antwoordde Bjorn wat ongemakkelijk. Hij kon zijn gedachten maar moeilijk losscheuren van het meisje, het sneeuwspook…
‘Ehhh…’ kon hij er alleen maar aan toevoegen. Dit grietje had waarschijnlijk meer sneeuwspokenbloed dan hij, ja, meer dan driekwart van de bevolking had dat. Hij probeerde te denken aan zijn vader met zijn vermanende wijsvinger.
‘En? Hoe zag dat sneeuwspook eruit?’
‘Een beetje zoals jij,’ Bjorns gezicht werd pimpelpaars zodra de woorden aan zijn lippen waren ontsnapt.
Ze streek een zilveren haarlok opzij en tuitte haar lippen.
‘Maak je me nu uit voor spook?’
‘Nee, nee, natuurlijk niet!’
‘Dus je vindt me lelijk?’
‘Nee, nee…’ Het zweet parelde van Bjorns voorhoofd bij het zien van haar verontwaardigd fonkelende ogen.
‘Kun je bewijzen dat je er echt eentje gezien hebt?’ vroeg ze met suikerzoete stem.
Bjorn voelde de onbedwingbare neiging om de pluk haar tevoorschijn te halen, al zou het levensgevaarlijk zijn om de hele lok met blote handen beet te pakken.
Het meisje bleef hem uitdagend aanstaren. Bjorn voelde dat hij iets moest doen, maar hij wist echt niet wat! Zijn brein leek verlamd. Een ander deel van zijn lichaam bracht hem wel op een idee, maar dat kon echt niet. Ook al keek ze wel heel opwindend uit haar ogen… En al was ze wel echt heel mooi…
‘Nou, komt er nog wat van? Of heb je nog wat meer overtuigingskracht nodig?’ vroeg ze met een zwoele stem.
Ze trok langzaam aan een koordje in haar bloesje. Bjorn zag nu pas dat dat koordje het enige was dat haar kleren bij elkaar hield. Sterker nog, hij was ervan overtuigd dat ze daaronder niets aan had. Hij wist dat hij naar haar borsten staarde – als zijn moeder dit zag – maar hij kon er niets aan doen.
Het meisje ging door met het openen van haar bloesje. Ze onthulde steeds meer van haar prachtige boezem. Bjorns mond werd droog. Het meisje stopte vlak voordat ze haar tepels onthulde.
‘Niks hoor,’ zei ze hooghartig. ‘Alleen een echte man mag mij zien, alleen een man die haar heeft van een sneeuwspook maakt kans om naar mij te kijken. En dan niet alleen mijn borsten, maar helemaal.’
Bjorn hield het niet meer. Zijn penis was nog nooit zo gevuld geweest en de rest van zijn bloed leek in zijn wangen te zitten, die gloeiden alsof hij drie dagen in de zon had gestaan. Zijn vingers grepen het zakje en frutselden met moeite de inhoud eruit. Er zat nog net genoeg verstand in zijn hersenen om het sneeuwspookhaar tussen zijn nagels vast te pakken. Het glansde zilver in het licht van de olielampen.
‘Prachtig,’ zei het meisje met een zucht. Ze liet het koordje los, waardoor haar bloes nu helemaal open viel. Bjorns blik vloog naar haar tepels, maar die waren al niet meer op de plaats waar hij ze verwachtte. Ze griste de haren uit zijn hand en rende er vandoor.
‘Wat- Nee! Stop!’
Bjorn rende achter haar aan, ze was als een zilveren schim die vliegensvlug van hem vandaan vloog. Hij struikelde bijna over het bloesje dat ze had laten vallen.
Buiten ging de zon bijna onder. Het meisje rende naar de winterse bomen en Bjorn rende als een bezetene achter haar aan. Ze lachte hem uit, het geluid klonk als een gesel in zijn oren.
‘Geef… terug…’ hijgde hij, maar ze verdween tussen de bomen.
 Bjorn volgde haar het schemerduister in. Achter die boom, een zilveren flits! En daar knapten takjes! Bjorn begon te grijnzen. Hij liep op haar in. Daar zag hij de onderkant van haar rok verdwijnen achter een struik. En hij kende dit bos, verderop was een diepe greppel. Ze kon niet ontsnappen. Hij zou het haar terugpakken. Eens zien wie hier het laatste lachte!
Ze stond met haar rug naar hem toe op de rand van de hogere grond. Haar naakte bovenlichaam maakte wederom een gevoel los in Bjorns lijf, maar zijn woede was sterker. Het zakje met het sneeuwspookhaar had ze in haar hand. Haar zilveren haar waaide in de wind.
‘Geef terug,’ zei Bjorn.
Het meisje bewoog niet.
Bjorn haalde zijn zakmes uit zijn zak. ‘Geef terug, nu!’ zei hij en hij kwam dreigend dichterbij. Het meisje bewoog nog steeds niet.
Bjorn wilde een uitval doen naar het zakje, maar zijn beweging stokte. Zijn voeten veranderden in ijsklompen toen het besef langzaam binnen dreef. Nee… Alles behalve dat.
Die glimlach op haar gezicht, en ze keek zo nadrukkelijk langs hem heen... Tussen de bomen stonden slanke gestaltes, een dozijn bloedmooie dames en hun haar glinsterde, stroomde met zilver licht. Sneeuwspoken. Het meisje trok haar masker van gelooide mensenhuid af en haar schoonheid verblindde hem. Het was net alsof hij recht in een zilveren zon keek.
‘Ontsnappen is onmogelijk,’ zei het sneeuwspookmeisje, ‘mijn zusjes zouden je meteen in stukken scheuren en je vingers aan de relmuizen voeren. Bovendien, je wilt toch helemaal niet ontsnappen?’
Bjorn knikte woordeloos. Ze had gelijk. Het enige wat hij wenste was een kus, een streling van haar sublieme vingertoppen over zijn koude wang. Meer kon je onmogelijk vragen van zo’n goddelijk mooi wezen.
‘Kom in mijn armen,’ beval het meisje en hij stapte dichterbij, even willoos als een cavia onder de blik van een cobra, maar wel een cavia die dolblij was, hogelijk vereerd een beet waardig te zijn.
Haar kus deed zijn lippen tintelen en het puntje van haar tong tikte de zijne aan. Ze smaakt naar een winterhemel met de tere glans van een groen keverschild, ging het door hem, naar een grasveld vlak na een donderbui. Het was een heel vreemde gedachte voor hem want Bjorn was beslist geen dichter.
‘Ik ben de droom waaruit je met tranen in je ogen in de ochtend ontwaakt,’ fluisterde ze, ‘en die je de rest van je leven probeert te herinneren.’ Ze knoopte zijn broek los, stak het juiste onderdeel diep in haar warme lijf.
 Een eeuwigheid later toen hij beslist geen jongen meer was maar zeker weten een man liet ze hem los, kuste hem op de wang en zei: ‘Was dit nu zo erg, neef?’
‘Neef?’
“Achterneef eerder. Ik proefde het pas toen ik je kuste.’ Ze zuchtte. ‘En familie hoor je niet te vermoorden.’
‘Shit,’ zei een van de andere sneeuwspookmeisjes. ‘Alles voor niks. Nu moeten we een andere lokken om aan bottenstokken voor onze huwelijkstent te komen.’
‘ Nu ja,’ lachte het sneeuwmeisje. ‘Hij zal me in ieder geval nooit meer vergeten.’

Bjorn monsterde aan op het eerste handelsschip en zeilde door tot de oevers smaragdgroen opgloeiden en de papegaaien in de palmen krijsen. Hij huwde een meisje met inktzwart haar en een huid als glanzend gewreven mahoniehout. Een keer vroeg zijn vrouw: en hoe zag je eerste geliefde eruit? Was ze even mooi als ik?’
 Bjorn glimlachte: ‘Ze was zo bleek als een spook en niet half zo mooi als jij.’ En hij meende het nog ook.

Valeria in rood – Incagrad  door Diana -

Georgio keek naar het schilderij. Het was mooi. Het was het mooiste dat hij ooit had gemaakt. De kleuren, de lijnen; alles klopte.
    ‘Dat heb je goed gedaan, Georgio,’ klonk het achter hem. ‘Valeria in rood.’
    Daarmee stond de titel van het werk meteen vast.
Georgio draaide zich om naar Opper Tsjechov en hield zijn vraag binnen. Het antwoord kende hij immers. Zijn wens om Valeria te mogen behouden had hij ook niet geuit toen hij haar in blauw, groen, geel en oranje schilderde. In rood, zijn beste werk tot nu toe, deed het hem pijn haar te laten gaan. Hij rechtte zijn rug en slikte het brok in zijn keel weg. Dit schilderij zou veel gaan opbrengen en het was een eer om te mogen meewerken aan de verrijking van Incagrad.
    Opper Tsjechov tuurde over de rand van zijn bril naar het schilderij. ‘Wat zie ik hier? Heb je gesigneerd?’ Zijn vinger wreef over het linkerbeen van Valeria. De verf was nog nat. Georgio hield zijn adem in, hij voelde zijn wangen kleuren.
    ‘Hier staat de doodstraf op. Dat weet je, toch?’ De blik die de Opper hem toewierp was mild maar vastberaden.
    Georgio sloeg zijn ogen neer.
    ‘Hoopte je dat niemand het zou zien, of wilde je dat het gezien zou worden?’
    ‘Van allebei een beetje,’ gaf Georgio toe.
    ‘Je bent nog niet klaar met de regenboogserie, Georgio. Ik stel voor dat je indigo en violet meteen hier achteraan schildert. Voor je executie is de serie dan in ieder geval afgerond.’

Vastberaden zette Georgio een doek op het schildersezel. Dit zou de mooiste regenboogserie van Incagrad worden. Zowel links als rechts staarde een wit doek de jonge, gedoemde schilder aan. In beide handen hield hij een penseel. De een gedoopt in indigo, van de ander droop een druppel violet. Hij sloot zijn ogen. Dacht aan zijn muze, Valeria de schone.
Valeria, oh schone maagd, laat mij een laatste maal uw schoonheid vangen.
Met gesloten ogen plaatste hij de eerste penseelstreken op het maagdelijke doek. De spieren in zijn armen brandden, maar Georgio wilde van geen stoppen weten. De maan verscheen en de avondklok was ingegaan. Maar George keerde niet naar huis. Georgio zou nimmer meer huiswaarts keren.
Opper Tsjechov zag zijn meest getalenteerde leerling de laatste hand leggen aan het meesterwerk. Toen de Opper zich een moment omdraaide, zette Giorgio voor de allerlaatste maal zijn handtekening. Door een kleine snede in zijn vinger, welde een druppel bloed op. Bloed vermengd met pigmenten zorgden precies voor de juiste teint. Georgio was tevreden.
‘Roem mijn naam tussen uw benen, schone Valeria.’

Opper Tsjechov gaf de jongen over aan twee bewakers van de Orde.
‘Vanavond slaap je in de Bunker, morgen is je executie. Bereid je voor.’
‘Wacht!’ Georgio greep de arm van de Opper vast.
‘Wat heb je nog te zeggen, jongeman? Je hebt de wet overtreden. Er is niks wat ik kan doen.’ De Opper keek de jonge schilder diep in zijn ogen. ‘Of wil doen.’ Zijn woorden waren zacht, indringend. Georgio liet de arm van de oude man los. ‘Valeria,’ hij fluisterde haast, ‘ik zou ze graag nog eenmaal zien.’
‘Alle zeven?’  Opper Tjechov fronste, dacht even na. ‘Dat is goed, Georgio. Jij hebt ze immers geschilderd.’

Het licht van de zonsopgang kleurde de muren van de binnenplaats bloedrood. Zeven schilderijen stonden op ezels in een halve cirkel om het schavot. De bewakers hadden een ijzeren grip om Georgio’s bovenarmen. Georgio probeerde te slikken, maar zijn keel was kurkdroog. Nadat hij het schavot was opgestruikeld straalde de volle pracht van zijn schilderingen hem toe in de zeven kleuren van de regenboog. Het touw schuurde zijn keel.
    Opper Tjechov betrad met een somber gezicht de binnenplaats. Na een laatste blik op zijn leerling gaf hij de beul een teken.
    Een felle ruk aan Georgio’s nek.
    Vergetelheid.

De oevers van het Meer van Lamora waren bezaaid met dadelpalmen. Georgio dwaalde rond met een bezwaard gemoed. Hij was in het paradijs, maar hoe kon hij gelukkig zijn zonder zijn muze? Een gestalte trad hem tegemoet vanuit de schaduwen. Georgio’s ziel begon te gloeien van onbegrensd genot.
    ‘Valeria…’

Waar de sneeuwbezweerders hun warmte vandaan halen - Utgard – Tais – Alex – Jannie

Het was de allervroegste ochtend. Het noorderlicht ebte weg uit de sterbesprenkelde nacht en de ogen van de keizerspinguïns op de lantaarnpalen doofden. Rutmar de sneeuwbezweerder kwam moeizaam overeind van zijn altaar en blies op zijn verkleumde vingers. Heel de nacht had mij met een ijspegel op een trommel  van gelooide maagdenhuid geroffeld om de ijsstormen van de stad weg te buigen en nu zat zijn dienst erop. Van hoog boven hem, uit de versteende schedel, dreven de iele stemmen van de zangertjes terwijl zij notenladders oefenden.
'Rutmar,' borrelde een stemmetje. Hij keek omlaag. Een inktvisje glibberde door de sneeuw. Hij zag grijs van de kou en om zijn ogen groeiend kringen van rijp. 'Heer Rutmar, een dame wenst u te spreken.'
Inktvissen waren absoluut niet inheems in Utgard. De Winterrivier stroomde hier ijskoud, vol schotsen en inktvissen gaven de voorkeur aan tropisch blauw water en purperen zeewier waartussen kleurige gestreepte visjes darden.
'Je komt van een handelsschip daqt gisteren aanmeerde? vroeg Rutmer. 'Uit Servalle?'
'Mijn vrouwe zag je roffelen,' zei het inktvisje. 'Zo ferm en mannelijk! Vertel hem dat de nachten hier koud zijn, beval ze mij, en de dagen trouwens ook. Vraag hem of hij mij wil verwarmen.'
'Je meesteres is een stuurmansdochter?' vroeg Rutmer. 'Dat soort lui doet soms moeilijk over de kuisheid van hun dochters.'
De inktvis klakte instemmend met zijn snavel. 'Daar dacht mijn meesteres ook aan. Haar vader de stuurman is aan wal om antieke kaarten te inspecteren. Hij hoorden dat er net een een expeditie was terug gekomen uit de fossiele havensteden aan de rand van het ijs. Met kaarten en globes die de droomwereld lieten zien, van voor het ijs.'
Rutmer was achttien jaar oud en eigenlijk pas een leerlingsjamaan. In de klas met stormtemmers hadden vijfendertig jongens gezeten en drie vrouwen. Twee waren lelijk als de nacht geweest en de derde had in de vierde maand afgehaakt omdat een edelman haar hand vroeg.
'Ik ga graag met je mee,' zei Rutmer. Zijn stem trilde een beetje. De enige vrouw die hij ooit gejust had was zijn moeder en met frisse tegenzin, oudtante Hildegard.

Het handelsschip bleek een kleine kogge te zijn, amper groter dan een pinguinhaai in paaitijd, slechts driemaal groter dan een ijstrol waar Rutmer alleen van horen zeggen een beeld van kon schetsen. Het gereefde zeil klapperde als een stel sneeuwspoken in de wind, gillend, krijsend. Rutmer huiverde en bleef staan voor de loopplank naar het schip. Hij voelde een groeiend gevoel van onbehagen dat zich aan zijn gedachten vastzoog als een bloedzuiger aan een ontbloot dijbeen.
'Kom snel, zodat mijn vrouwe niet langer hoeft te wachten,' murmelde het inktvisje.
'Ik weet niet of het wel zo'n goed idee is,' begon Rutmer. 'Ik denk dat je vrouwe vast een wat ervarener man zoekt dan ik. Ik heb slechts twee vrouwen gekust en dat was niet eens uit ware lust.'
Het leek alsof het achtarmige wezen grinnikte, maar misschien was dat slechts het ratelen van de gedroogde schedels van de jamalas die aan de reling van het schip hingen.
'Echt, ik denk echt dat het beter is, als...'
Terwijl hij zich schoorvoetend omdraaide, klaar om de kade af te lopen, sprak een verleidelijke stem hem toe. De woorden zweefden als de vrolijkste, rinkelende belletjes zijn kant op, maakten hem vrolijk, verdreven de angst die hij op had voelen komen. 'Lieverd, je bent er...'
Natuurlijk wist Rutmer dat hij weg moest rennen, vliegen, springen... maar de stem van de dame beloofde zoveel meer dan een nacht vol passie. Dit was een stem gesmeed van hemelse goedheid, pinguinhaaienbloed, adamantium en ieder ander kostbaar goedje waar Rutmer wel eens van had horen vertellen. 'Daar ben je, mijn lieve man, mijn rots in de branding, mijn hartendief.'
Hij keerde zich op zijn schreden om en zag een vrouw omringd door een blauw, hemels schijnsel. Hij zag haar weelderige, vrouwelijke vormen, verlekkerde zich aan haar blote borsten, maar wist, ergens vaag in zijn achterhoofd, dat dit alles niet waar was. Dit was een illusie. Dit was niet echt. Dit was de verlokking van een sneeuwspook, een vrouwe die, in ruil voor één nacht passie, je leven nam en je voorgoed de vergetelheid in stuurde. Dit was...
Willoos stapte hij de loopplank op, glimlachte naar de mooie vrouw en sprong op het dek van het schip.
'Je bent van mij,' lispelde ze. 'Je bent van mij.'
Rutmer knikte idolaat, sloot zijn ogen en veinsde verliefdheid, terwijl hij de amulet van magiër Obhurin, verstopt in zijn broekzak, stevig omklemde.
Ik weet dat je het kan, Rutmer. Ik weet dat je het kan. De woorden van zijn meester galmden nog steeds na in zijn hoofd. Ik weet dat je het kan. Jij gaat voor mij een sneeuwspook vangen.
Ze vouwde haar vingers in zijn nek, ze tintelden als kleine ijspegels. Ze gaf hem kusjes, die op zijn lippen tintelden als hagel. Ze drukte haar bevroren lijf tegen het zijne en verschroeide zijn tegenwerpingen, wakkerde zijn lust aan.
Alleen jij kunt dit, Rutmer. Alleen jij.
Maar toen hij haar stekende tong aan de zijne voelde kleven, vreesde hij toch even dat zijn meester te veel vertrouwen in hem had geschonken.
Haar handen plakten over zijn naakte borst. Zijn tuniek had maar weinig weerstand geboden, net als zijn brandende verlangens. De ijskoude kus was al gauw overgegaan in een hartstochtelijke streling in zijn mond. Angsten waren als groene grassprietjes in een sneeuwstorm verdwenen. Hij wilde haar begeren voordat... voordat... wat ook al weer?
Toen de handen van zijn minnares naar zijn broek zakte, duizelde hij van genot. Maar een kreet van ongenoegen deed hem ontwaken uit zijn extase. Met een gezicht die zeker een scherf adamantium waard was, keek het sneeuwspook onthutst naar zijn kruis. Jij gaat voor mij een sneeuwspook vangen, Rutmer. En deze ijsgordel zal je mannelijkheid tegen haar beschermen! Deze woorden van de magier Obhurin galmden nu helder door zijn hoofd. Razendsnel graaide hij naar zijn amulet en hing die om de bevallige hals van dame. Gelukt! Vanaf nu zou ze haar dagen slijten als volgzame genotsvrouwe van het sneeuwbezweerdersgilde.

 




   




art Mhuhad Adir